Politiek

Hoe omgaan met Wilders en consorten?

Het frame: is de excessieve vraag het probleem, of het aanbodtekort?

Bij elk verkiezingsresultaat van een rechts-populistische partij (Nederland, Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland, Zweden), melden de media dat de andere politieke partijen nog geen adequaat antwoord hebben gevonden op de volksverleiding van rechts. De rechtse roep om “minder immigranten” (waarmee vaak wordt bedoeld: “minder moslims”), wordt door links veroordeeld als hatelijk racisme, waartegenover de voordelen van een kleurrijker leefomgeving worden geplaatst. Job Cohen, Femke Halsema, Alexander Pechthold en anderen hebben in het Nederlandse parlement dergelijk verweer in allerlei toonbaarden geleverd. Hoewel fraai ethisch gefundeerd slaat hun boodschap niet aan. De aanhangers van het populisme voelen zich miskend, verwerpen het verwijt dat zij racistisch zouden zijn en volharden in hun eis de grenzen te sluiten voor migranten.

Wat doen de ethici fout? Hun fout is de ethische veroordeling, terwijl de populisten een ander kaart spelen, zij sluiten aan bij de reële angsten onder de autochtone bevolking. De critici van het populisme nemen – wellicht onbewust – het denkkader over van de populisten: de vreemdelingen zijn de oorzaak van jullie problemen, zonder al die vreemdelingen had je geen problemen. Die benadering herinnert aan eerdere episoden in de geschiedenis, die in tal van gevallen hebben geleid tot genocide. Vandaar de boosheid van de ethici. De boosheid is begrijpelijk en terecht, maar leidt tot niets.

Want wat is het probleem? Dat is meermalen door bewoner van de oude volkswijken verwoord tegenover nieuwgierige journalisten: “Zij pikken onze woningen  in; mijn dochter staat al acht jaar op de wachtlijst voor een betaalbare woning, maar zij krijgt niks aangeboden terwijl links en rechts in mijn straat vreemdelingen woningen krijgen toegewezen.” En: ”Ik versta die lui niet, zij groeten niet, ze onderhouden hun tuintje niet, ze gooien hun rotzooi bij de buren op de stoep. Ik herken mijn eigen wijk niet meer.” En: “Zij krijgen gelijk  bij binnenkomst een uitkering, en wij moeten die betalen; alles wordt duurder”,  en als de migrant wel werkt:  “Zij pikken onze banen in, zij werken onder de prijs, onze lonen gaan achteruit, en intussen wordt alles duurder.” Wat hier wordt verwoord is de reële angst, dat de toename van de vraag naar woningen, naar werk of naar uitkeringen, leidt tot geringere beschikbaarheid van die basale, schaarse voorzieningen voor de autochtone bevolking. Het gaat om markten voor levensnoodzakelijke voorzieningen, waarop de vraag toeneemt door de komst van immigranten. Populisten spreken daarbij graag van een ‘tsunami’, en hun aanhang in de oude wijken herkennen dat, want de immigranten zijn vooral gevestigd in die oude wijken. Is het landelijke aandeel van migranten amper 10%, in de volkswijken loopt dat percentage op tot 50%. Daarom is hun zorg, hun klacht, reëel. Daarbovenop komt dan nog eens  het veranderende straat- en wereldbeeld: het bekende, het vertrouwde, verdwijnt, het nieuwe, het vreemde wordt als bedreigend ervaren: de criminaliteit, de drugsbendes, de scooterrijders op het trottoir, het gesis naar jonge meiden, de aanslagen van jihadisten. Oude zekerheden smelten weg, er ontstaat onvrede, onrust, angst en roep om oplossingen.

Toename van de vraag op een markt zou niet tot angst en haat hoeven  leiden, en doet dat ook niet als de bevolking redelijk homogeen is, maar bij toenemende schaarste worden al gauw minderheden als zondebok aangewezen. In een markteconomie, en feitelijk binnen elke samenleving, is ieder medemens een concurrent op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de huwelijksmarkt, de markt voor de gezondheidszorg, de behoefte aan uitkeringen. Is daarmee elke concurrent een “vijand”? Niet als het een familie, vriend of bekende is. Voor een familielid, vriend of bekende, vindt men het doorgaans fijn als die een goede baan vindt, een leuke woning, betaalbare zorg, zo nodig een uitkering krijgt. Maar die blijdschap is er niet als die gelukkige een vreemdeling is. In dat geval is er hoogstens spijt, dat jij of jouw kind die baan of die woning niet kreeg, de uitkering is afgewezen of onverwacht laag is. En voor wie niet op zoek was naar die dingen, staat er onverschillig tegenover wat een  ander krijgt, zolang alles voor hem- of haarzelf bij het oude vertrouwde blijft.

Een toename van de vraag op markten die voor mensen met een laag inkomen hun leefsituatie bijna volledig bepalen (huisvesting, voeding, werk, inkomen, uitkering, pensioen, zorg), leidt tot hogere huren, hogere prijzen, meer werkloosheid of lager loon, lagere uitkeringen,  duurdere zorg, als het aanbod op die markten niet navenant toeneemt. En in een vrije markteconomie neemt het aanbod niet toe, of pas vertraagd. Werkgevers hebben belang bij arbeidsmigranten; dat was het startpunt van de arbeidsmigratie na de Tweede Wereldoorlog. Huisvesting voor die “gastarbeiders” was slecht geregeld; zij hokten met anderen samen op kleine kamers, wat voor de kamerverhuurders een lucratieve bezigheid was. Hun aanwezigheid tastte de voorzieningen in de volkswijken niet aan. Toen de gastarbeiders niet terugkeerden naar hun thuisland na het nodige te hebben gespaard, maar hier bleven en een gezin stichtten, nam de vraag – en dus de concurrentie – op de markten voor werk, huisvesting, scholing enzovoort, sterk toe, en daarmee de onvrede in de volkswijken.

Dit leidde tot experimenten uit de koker van de overheid zoals “sociale vernieuwing” en probleemwijken werden “prachtwijken”, er werd serieus gesproken over “huurliberalisatie” en verscherping van de normen voor arbeidsongeschiktheid en uitkeringen en – nog recent – tot het afgrendelen van sociale werkplaatsen. De markt werd  heilig verklaard; nutsbedrijven werden geprivatiseerd en iedereen werd verantwoordelijk voor zijn of haar eigen geluk. Succes werd een keuze, net als falen. De markt was weliswaar de oorzaak van de problemen, maar werd door zowel liberalen als sociaaldemocraten en christendemocraten aangeprezen als oplossing voor de problemen! Terwijl de natuurlijke bevolkingsgroei tot nagenoeg nul daalde, nam toch de vraag naar werk en woningen toe door de komst van immigranten en  vluchtelingen. Zonder snelle uitbreiding van de woningvoorraad en andere voorzieningen gaf dat signalen die wezen op neerwaartse druk op lonen en uitkeringen en opwaartse druk op de huren, de prijzen van consumptiegoederen, de premies voor gezondheidszorg, enz..

De overheid verklaarde zich zelf incompetent, de markt loste de problemen niet op, en dat versterkte het gevoel, dat de politici van de “volkspartijen” de problemen niet serieus namen. Redding leek te komen van de populistische politici: eerst Pim Fortuyn, later Geert Wilders, recent: Thierry Baudet. De populisten richten hun haat expliciet op de immigranten, die hier komen profiteren van de door noeste arbeid van hard werkende Nederlanders goed gevulde staatsruif. Vooral immigranten met een andere religie, taal en leefgewoonten, en in het bijzonder moslims die onze “joods-christelijke beschaving” zullen aantasten, zijn het doelwit. Eén vreemdeling mag dan curieus zijn, een klein aantal een mogelijke kans op materieel voordeel, veel vreemdelingen vormen een bedreiging.

De critici van de populisten wijzen er vervolgens op, dat de vrijheid van godsdienst ook geldt voor moslims, dat de immigranten ook recht hebben op ontplooiingskansen en zich zullen aanpassen, de taal moeten leren, zullen integreren. Mij lijkt, dat de enige aanpak op succes in het bestrijden van populisme is, dat frame  rechts te laten liggen. De roep om minder immigranten, minder moslims, minder Marokkanen, is slechts één oplossing voor een probleem dat veel kiezers zorgen baart. Bij toenemende schaarste op een markt, veroorzaakt door toename van de vraag, is vermindering van de vraag één oplossing, een andere oplossing is toename van het aanbod. De eerste oplossing richt zich tegen medemensen, de tweede richt zich niet tegen mensen maar op productie. De eerste oplossing creëert haat., de tweede werkgelegenheid.

Die oplossing kost meer geld dan een vrijblijvende morele veroordeling van vreemdelingenhaat, maar lost meer op. Uitbreiding van voorzieningen verhoogt de werkgelegenheid, leidt tot inkomensgroei, en betaalt langs die weg de uitbreiding van voorzieningen (op termijn ) terug. Bovendien zou de politiek daarin een sturende rol moeten spelen, wil zij de waardering van de kiezers terugverdienen. Op basis van goede en ruim beschikbare voorzieningen zal de haat tegen het onbekende afnemen, op zijn minst vreedzaam naast elkaar bestaan.

De mythe van Rutte

De algemene beschouwingen in september 2018 over de begroting 2019 werden overheerst door de discussie over het voornemen van de regering de dividendbelasting af te schaffen. Die belastingmaatregel zou het Rijk een kleine 2 miljard per jaar schelen, maar was volgens premier Rutte absoluut noodzakelijk om grote multinationals, zoals Unilever en Shell, voor Nederland te behouden. Zouden die bedrijven naar het buitenland (lees: Groot-Brittannië) vertrekken, dan zou dat ons land honderdduizenden banen kosten. Dat risico konden we niet lopen, ook al waren er sectoren in de collectieve sector (lees: onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid), die dat geld heel goed kunnen gebruiken. Maar, zou herhaalde Rutte vele malen: we kunnen dat geld niet in de collectieve sector steken als het niet eerst wordt verdiend en daar hebben we het bedrijfsleven voor nodig.

Dit is een boodschap die Rutte, en met hem de hele VVD en het VNO, met graagte uitventen: het is de particuliere sector die het geld verdient, en daarom belasting kan betalen, dat naar de collectieve vloeit, die dat geld uitgeeft.

Dat lijkt een goed verhaal, immers, waar niets wordt verdiend valt ook niets uit te geven! Logisch toch? Nee: het is een mythe! En het verbaast me dat niemand Rutte op dit punt tegensprak! Hebben al die woordvoerders een gebrek aan economische kennis? Dat ze niet de klassieke grondleggers van het economisch denken hebben bestudeer kan ik billijken (geen van de fractieleiders heeft economie gestudeerd), maar hebben ze ook alle moderne economen gemist? Het lijkt jij daarom goed een paar basisfeiten van de economie  uit te leggen.

De economische kringloop

Sinds de Franse arts François Quesnay (1694-1774) zijn Tableau Économique presenteerde,  weten we dat het geld in een samenleving van hand tot hand gaat: van degene die iets koopt naar de verkoper, die het weer uitgeeft aan anderen, bijvoorbeeld aan personeel. Dat gaat eindeloos zo door. Hoe komt iemand aan geld? Door iets te verkopen (goederen, diensten, arbeid) of te verhuren of te verpachten (huizen, grond).

Adam Smith (Schotland 1723-1790) legde uit hoe de markt werkt, waarop deze kopers en aanbieders elkaar ontmoeten. De prijs is het resultaat van vraag en aanbod. Zonder vraag geen aanbod, zonder aanbod geen vraag. De markt werkt het beste als er voldoende concurrentie is; dan kunnen kopers kopen bij degene die de laagste prijs vraagt voor eenzelfde product. Ondernemers kunnen hun productie verhogen en goedkoper maken door arbeidsverdeling en specialisatie. Zolang de verkoop winstgevend is, komen er nieuwe aanbieders op de markt en neemt het aanbod toe. Dit verhoogde aanbod verlaagt de prijs. Zakt de prijs nog verder, dan treden aanbieders uit de markt. De uiteindelijke evenwichtsprijs ligt net boven de kostprijs.

J.B.Say (Frankrijk 1767-1832) liet zien, dat de uitgaven die nodig zijn om iets te produceren, voor anderen inkomsten zijn (leveranciers, arbeiders). Er is dus altijd voldoende geld om de geproduceerde goederen en diensten af te nemen (Wet van Say), als is het niet per definitie zo, dat er altijd voldoende behoefte is aan elk geproduceerd goed of dienst (dat de markt vaak niet werkt is een ander verhaal!)

Hoewel bij deze klassieke economen de aandacht vooral ging naar landsbouw en ambachtelijke productie, maakt het voor de markt niet uit wat de bron is van het geld dat de vragende partij  uitgeeft.

Latere economen hebben de uitgangspunten van de klassieken overgenomen. In de kringloopschema’s van de moderne economen, zie bijvoorbeeld de winnaar van de nobelprijs voor economie Jan Tinbergen (Nederland, 1903-1994) en die andere Nobelprijswinnaar de econoom Paul Samuelson (Verenigde Staten van Amerika, 1915-2009). In hun modellen bestaat het nationaal product uit de som van alle geproduceerde goederen en diensten, of die nu door particuliere bedrijven of door overheidsinstellingen worden aangeboden. Anders gezegd: of de vraag nu van consumenten komt, of van de overheid. Dit simpele schema kan nog worden verfijnd door rekening te houden met export en import, en met investeringen, afschrijvingen en spaargeld.

Het geld dat nodig is om goederen en diensten te produceren of aan te schaffen, kan worden verkregen in ruil voor andere goederen of diensten, of in ruil voor geleverde arbeid, of het winnen van een loterij, of door diefstal. De overheid heft belasting, wat sommigen zien als diefstal. Anderen beschouwen het maken van winst als diefstal. Vanuit economisch gezichtspunt maakt dat allemaal niet uit; de econoom is geen rechter of ethicus.

Voor Rutte maakt het wel uit. Hij denkt dat alles wat de overheid uitgeeft, eerst wordt verdiend door het bedrijfsleven. Dat dus eigenlijk onze welvaart geheel en uitsluitend is te danken aan het de particuliere sector en dat je ondernemers daarom in de watten moet leggen. Dat is een politiek standpunt, om sponsors en kiezers uit bepaalde sectoren te trekken. Economisch gezien is het onzin.

Laten we even meer in detail kijken naar beide sectoren.

Particuliere sector en collectieve sector

De particuliere sector is het geheel van het particuliere bedrijfsleven, van ondernemingen, opgericht om de eigenaren winst te verschaffen door de productie en verkoop van goederen en diensten. In de particuliere sector kopen klanten rechtstreeks van de aanbieder het gewenste goed of de gewenste dienst. De klant betaalt een prijs die minimaal de kosten van de aanbieder dekt. De particuliere sector bestaat omdat er al eeuwenlang mensen zijn die producten op de markt brengen waar burgers behoefte aan hebben, zoals brood, vis, andere levensmiddelen, kleding, enzovoort. Je zou die goederen ook allemaal zelf kunnen produceren, maar zoals Adam Smith al betoogde: specialisatie levert meer op. De markt is geschikt voor individuele goederen en diensten: het brood en de vis verdwijnen in de buik van de consument is dan niet meer beschikbaar voor iemand anders. Overigens heeft dit marktsysteem ook risico’s, zoals overbevissing, plundering en vervuiling van de aarde en dergelijke, wat niet in de prijs verdisconteerd is: “Na ons de zondvloed!”

De collectieve sector is het geheel van instellingen, opgericht om de samenleving goederen of diensten te verschaffen, zonder winstoogmerk. In de collectieve sector betalen de gebruikers van de collectieve goederen of diensten alleen een kleine vergoeding aan de betreffende instelling en betaalt de overheid de kosten van het voortbrengen van die betreffende goederen of diensten uit de belastinggelden die de burgers afdragen aan de overheid. De collectieve sector bestaat ook al eeuwenlang omdat er al heel lang behoefte is aan wegen, dijken, veiligheid, rechtspraak, enzovoort, zaken die niet op de markt kunnen worden verhandeld aan individuele klanten: Een weg is immers niet weg als je er overheen bent gelopen of gereden!

De overheid is het orgaan in een samenleving dat er voor zorgt dat die samenleving kan voortbestaan; zij doet dat door te zorgen voor bescherming tegen binnenlands en buitenlands geweld en tegen natuurgeweld, tegen aanranding van lijf en goed, voor veilige wegen, rechtsbescherming, en dergelijke. De kosten die dat alles met zich meebrengt dragen de burgers via belastingen. Zij doen dat in het besef, dat de voorzieningen van de overheid net zo noodzakelijk zijn als ons dagelijks brood. Er zijn overheden die vooral gericht zijn op de voordelen van de lui die de overheid bemannen, op macht en fortuin via geweld en corruptie, maar er zijn ook overheden die meer in het belang van het volk handelen, en meestal is die aanpak afgedwongen door dat volk.

Het onderscheid tussen individuele en collectieve goederen en diensten is niet altijd glashelder en wie voor die goederen en diensten zorgt, particuliere sector of overheid, is vaak een keuze..

Een paar voorbeelden

Neem de spoorwegen, het vervoer per trein over rails, grootschalig geïntroduceerd in de 19e eeuw in Engeland, is nu over de hele wereld in gebruik. De eerste spoorwegmaatschappijen waren particuliere ondernemingen, opgericht door kapitaalkrachtige burgers die er brood in zagen rails aan te leggen en er treinen op te laten rijden. Wie er gebruik van wilde maken moest daarvoor een treinkaartje betalen. In de loop der tijd verdiende de spoorwegonderneming de gemaakte kosten van railaanleg en treinenaanschaf terug, inclusief de kosten van onderhoud en bedienend personeel. Dat lukte niet altijd, sommige spoorwegondernemingen gingen failliet. In tal van landen werden de particuliere spoorwegmaatschappijen genationaliseerd, waarmee het winstdoel verdween, maar ook voorkomen werd dat maatschappijen misbruik maakten van hun monopoliepositie; het is immers zinloos om tal van concurrerende spoorlijnen naast elkaar aan te leggen! Wie een spoorverbinding heeft, kan daar misbruik van maken. De overheid streeft geen winst na en levert de dienst tegen kostprijs. Spoorwegverbindingen kunnen dus zowel in de particuliere sector als in de collectieve sector vallen. In sommige landen is het railverkeer  weer geprivatiseerd, waardoor ze opnieuw in de particuliere sector vallen. In beide gevallen kunnen de kosten (in principe) geheel worden gedekt uit de verkoop van treinkaartjes. Waar lijnen onrendabel zijn, bijvoorbeeld in dun bewoonde gebieden, kan de overheid besluiten een deel van de kosten te dragen. Een deel van de samenleving zal dat fijn vinden.

Neem onderwijs. Veel scholen zijn opgericht door particulieren, soms als stichting of vereniging zonder winstoogmerk, soms als naar winst strevende onderneming, soms als overheidsvoorziening, om de leden van de samenleving te scholen. In de particuliere sector zullen de leerlingen genoeg schoolgeld moeten betalen om alle kosten te dekken, in de collectieve sector betalen zij een gering schoolgeld en betaalt de overheid de rest uit belastingopbrengsten. Is een school een particuliere onderneming dan is het zaak klanten te vinden die onderwijs belangrijk genoeg vinden om daar (veel) geld voor te betalen. Het probleem is, dat kinderen nooit genoeg eigen geld hebben om als klant op te treden; het zijn dus hun ouders die als klant optreden, en zelfs als die het nut van onderwijs inzien hebben slechts weinigen een inkomen dat hen in staat stelt jarenlang een hoog schoolgeld te betalen. Omdat het echter voor de samenleving als geheel nuttig is dat iedereen zijn of haar talenten ten volle kan ontwikkelen, ten behoeve van zichzelf en van de samenleving, wordt bijna alle onderwijs in de wereld grotendeels gefinancierd door de overheid uit belastinggeld en betalen de ouders, of studenten, een geringe bijdrage. In sommige landen vind je particuliere universiteiten waarvoor je heel veel collegegeld moet neertellen. De lezer mag zelf bedenken of dat nuttig is en voor wie!

Nog één voorbeeld: gezondheidszorg, neem een ziekenhuis. Is een ziekenhuis een particuliere onderneming, dan betaalt de patiënt voor de geleverde medische zorg. Zijn die kosten bij een huisarts of een tandarts nog te overzien, bij medische behandeling in een ziekenhuis bedragen die al gauw een maand- of een jaarsalaris. Veel mensen kunnen dat niet dragen, dus is daar het systeem van verzekering voor uitgevonden: alle mensen dragen premie bij, en uit dat totaal aan inkomsten worden de kosten gedekt. Zouden de kosten geheel uit de premies moeten worden betaald, dan wordt de premie erg hoog voor mensen met een klein inkomen. Daarom wordt in veel landen belasting geheven op inkomen, naar draagkracht, ten behoeve van de gezondheidszorg.

Keuzecriteria

Wat hierboven is uiteengezet over spoorwegen, scholen en ziekenhuizen, geldt voor nog heel veel andere sectoren van productie of dienstverlening. Soms werkt het prima als een goed of een dienst door particuliere bedrijven worden verschaft, soms werkt het beter als een goed of een dienst ook wordt verschaft aan mensen die iets dringend nodig hebben maar er zelf niet de volledige prijs van kunnen betalen. Soms kan een dienst niet door een particulier bedrijf worden verschaft omdat er geen individuele klanten voor te vinden zijn. Een vuurtoren is daarvan een voorbeeld: die bouwen en onderhouden is duur. Een passerend schip zou er baat bij hebben, maar kan nauwelijks een rekening aangeboden worden. Krijgt het toch een rekening aangeboden, dan zal de schipper zeggen: ‘ik betaal niet, want ik heb geen behoefte aan een vuurtoren, ik weet hier de weg en ik heb er niet eens naar gekeken!’ Zonder vuurtoren stranden tal van schepen met in veel gevallen verlies van schip, lading en opvarenden. Mèt een vuurtoren is die schade heel veel kleiner. Een vuurtoren is dus uitermate nuttig voor schippers, bemanning en samenleving, maar is niet of nauwelijks te vermarkten. Samen de lasten dragen en de vruchten plukken is dan beter.

We zien dus, dat de vraag of een goed of dienst onder de particuliere sector valt of onder de collectieve sector, een kwestie is van nutafweging. Soms maakt het weinig uit, soms heel veel. De particuliere sector is niet nuttiger dan de collectieve sector. Van veel bedrijven in de particuliere sector kun je je afvragen of ze erg zinvol zijn, of je ze niet kunt missen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de sector die verslavende goederen produceert en verkoopt: tabak, alcohol, drugs. Er is zeker een markt voor, maar de klant betaalt niet de maatschappelijke kosten van productie en consumptie van die goederen; denk alleen maar eens aan de zorgkosten. Een groot deel van de samenleving kan ze missen. Dat geldt zelden voor goederen en diensten uit de collectieve sectoren: wie kan veiligheid, goede wegen, onderwijs, gezondheidszorg enz. missen? Vervuilende industrieën verdienen aan de verkoop van hun producten maar de kosten van milieuvervuiling en klimaatopwarming betalen we met z’n allen. Hier geldt: de vervuiler verdient, de samenleving betaalt.

Onderlinge afhankelijkheid

De particuliere sector kan niet zonder de collectieve sector: hoe zou een bedrijf kunnen functioneren zonder vuurtorens, havens, wegen, kanalen, luchthavens, rioolsystemen, dijken, afwaterings-systemen, goed onderwijs dat bekwame vaklieden aflevert, politie die jouw lijf en goed beschermt, rechters waar je je recht kunt halen, enzovoorts? Helemaal nergens! Daarom is het ook goed te begrijpen dat de oudste beschavingen al begonnen zijn met het verschaffen van zulke voorzieningen. Of bedrijven ten volle de kosten van al die collectieve voorzieningen betaalt is zeer de vraag. Vooral grote bedrijven ontlopen belastingen en krijgen veelal speciale belastingkorting, de zgn. ‘rulings’. Hiervan zijn er vele duizenden. Wat deze bedrijven minder betalen, betaalt de burger meer.

Kan de collectieve sector bestaan zonder een particuliere sector? Voor een belangrijk deel wel: veel wat nu binnen de particuliere sector valt, heette vroeger ‘nutsbedrijven’ (voor gas, water, elektriciteit, post enz.) Particuliere bedrijven zijn nuttig voor innovaties, hoewel ook voor die tak samenwerking met bijvoorbeeld universiteiten, noodzakelijk is. Vaak vinden universiteiten nieuwe zaken uit, die de particuliere sector vervolgens produceert en op de markt brengt.

Conclusie

Of iets door de particuliere of de collectieve sector wordt verschaft is een kwestie keuze: waar heeft de burgers, de individuele consument of de samenleving als geheel behoefte aan? Wie kan dat het beste organiseren, zowel qua productie als qua distributie? En hoe regelen we dan de betaling, rechtstreeks aan de leverancier of via premies en belastingen? Of in een mengvorm? Inkomens verdiend in de particuliere sector hebben precies dezelfde economische functie als inkomens verdiend in de collectieve sector: een claim op bepaalde goederen en diensten. Iedereen die inkomen heeft, verdiend in de particuliere of in de collectieve sector, betaalt in principe belasting en besteedt de rest van het inkomen aan goederen en diensten uit de particuliere en uit de collectieve sector. Kortom: de mythe dat de collectieve sector afhankelijk is van de particuliere sector miskent dat de particuliere sector afhankelijk is van de collectieve sector. Die mythe kan ertoe leiden dat op de collectieve sector zo veel wordt bezuinigd, dat de particuliere sector niet goed meer kan functioneren (onvoldoende veiligheid, medische zorg, rechtsbescherming, goed opgeleid personeel, enz.) en de samenleving als geheel gevaar loopt (onveiligheid, epidemieën, slechte wegen, gevaarlijke dijken, onbenutte talenten, enz.).

Vertel dit Rutte!

EEN BEETJE ECONOMIE: SPECULEREN

Hoewel markten zelden of nooit goed werken (zie mijn artikel MARKTDENKEN), gehoorzamen sommige producten aan de “wet van vraag en aanbod”: neemt het aanbod toe in verhouding tot de vraag, dan daalt de prijs, en omgekeerd, neemt het aanbod af in verhouding tot de vraag, dan stijgt de prijs.  De vraag neemt namelijk alleen toe bij eden lagere prijs, en neemt af bij een hogere prijs. Neemt in een plaats het aantal pizzeria’s sterk toe, bij gelijkblijvend inwonersaantal en dezelfde besteedbare inkomens, dan worden er alleen meer pizza’s verkocht als de prijs (gemiddeld) lager is. Het aanbod zal slechts zo ver toenemen en de prijs van pizza’s zo ver dalen tot de eigenaar er verlies op gaat lijden. Bij vermindering van het aanbod zal de prijs stijgen (men koopt mindert pizza’s en kiest daarvoor ander, goedkoper voedsel), en als dat de verkoop van pizza’s winstgevender maakt (ondanks kleinere omzet), zal het nieuwe pizzeria’s aantrekken, waardoor het aanbod stijgt en de prijs weer afneemt.

Vraag en aanbod tenderen dus steeds naar (nieuw) evenwicht, ook na verandering van aanbod of vraag! Adam Smith noemde dit in 1767 de werking van de “onzichtbare hand”: alsof er een onzichtbare kracht bestaat die ervoor zorgt dat vraag en aanbod steeds naar een evenwicht neigen, bovendien bij een  lage, voor beide partijen acceptabele prijs.

Pizza’s zijn er om op te eten, je bewaart ze niet om later een lekkere pizza duurder te kunnen doorverkopen. Pizza’s zijn immers bederfelijk! Iets kunnen bewaren voor later of langdurig gebruik bestaat ook, bijvoorbeeld meubels, computers, kleding: de gebruiksgoederen. Maar ze gaan niet eeuwig mee!

Sommige goederen zijn bijzonder geschikt om ongewijzigd door te verkopen: goud, edelstenen, waardepapieren (aandelen, obligaties): je koopt ze om er hetzij enige tijd inkomen uit te krijgen (aandelen gever dividend; obligaties geven rente), hetzij om ze later te kunnen inwisselen (verkopen) als je geld nodig hebt (aandelen, obligaties, goud, juwelen). Dat soort goederen dienen dus hun waarde te behouden, of beter nog: in waarde toe te nemen.   Goederen die in waarde kunnen toenemen zijn bijvoorbeeld: schilderijen van beroemde meesters, klassieke auto’s, antiek. Alleen de kenner zal hierbij winst maken!

Bij goederen die zich lenen voor belegging doet zich een merkwaardig fenomeen voor: als de prijs stijgt neemt de vraag niet af (zoals bij pizza’s) maar toe! Zodra de prijs stijgt en die stijging even aan houdt, kopen tal van (nieuwe) speculanten dat goed om het even later voor een nog verder gestegen prijs te verkopen: kassa! Een slimme speculant koopt bij een stijgende prijs en verkoopt als de prijs niet verder stijgt. Het enige probleem is: goed kunnen inschatten wanneer de prijs niet verder zal stijgen; wie te vroeg verkoopt mist immers een leuk stukje winst. Echter, wie te laat verkoopt, maakt weinig of geen winst of lijdt verlies.

Probleem is, dat je de prijsontwikkeling pas ziet als er handel is en je dus de prijsontwikkeling ziet; je kent het verleden, maar niet de toekomst. Speculeren lijkt op gokken. Bij beleggingsgoederen die gekoppeld zijn aan een bepaalde waarde, zoals bij aandelen het geval is, lenen zich minder voor speculeren: hun waarde is afhankelijk van het succes van het bedrijf dat die aandelen uitgeeft. Een bedrijf kan failliet gaan, waardoor zijn aandelen waardeloos worden, maar tal van bedrijven bestaan al lang en doorstaan zelfs crises. Die aandelen zullen niet sterk in waarde stijgen of dalen: worden ze te duur in verhouding tot de prestaties van dat bedrijf, dan kopen de beleggers goedkopere aandelen van andere bedrijven. Toch kan ook in dat geval een heftige marktbeweging ontstaan; een aanvankelijk geringe prijsstijging lokt speculanten aan, die door hun aankopen de prijs verder opdrijven. Tot de eerste speculanten hun winst gaan verzilveren, de prijs daalt en nog meer speculanten hun aandelen aanbieden. De prijs van aandelen schommelt dus meer of minder hevig rond een bepaald gemiddelde dat parallel loopt met de waarde (prestaties) van het betreffende bedrijf. Je kunt ook in valuta’s beleggen; hun waarde is enigermate gekoppeld aan bepaalde andere valuta’s, dus beperkt volatiel. Wil je rijk worden met valutaspeculatie dan moet je grote hoeveelheden dagelijks verhandelen bij geringe prijsschommelingen; dan begint speculeren op werken te lijken!

Er zijn echter ook beleggingsgoederen die los staan van een achterliggende waarde. Een voorbeeld is de bitcoin (en andere virtuele nieuwe munteenheden). De bitcoin was bedoeld als nieuw digitaal betaalmiddel, buiten de bankwereld om, maar werd een gewild beleggingsproduct: elke prijsstijging leidt tot meer vraag en dus nog verdere prijsstijging, ongeremd door enige koppeling aan andere valuta’s of productiviteit van bedrijven. Juist de snelle en sterke prijsstijging lokt nieuwe beleggers aan, tot de voorzichtigste beleggers hun winst gaan verzilveren, de prijs daalt, nog meer bezitters van bitcoins hun winst willen pakken voor het te laat is, met als gevolg het instorten van de prijs! Wie geld wil winnen met bitcoins of andere vrij zwevende valuta, moet constant (echt dag en nacht!) de prijsontwikkeling volgen en onmiddellijk veel kopen en verkopen. Dat is nog vermoeiender dan werken!

EEN BEETJE ECONOMIE: MARKTDENKEN

Het geloof in de markt

Het geloof dat de markt beter problemen oplost dan de overheid, is door Ronald Reagan (president VS) en Margaret Thatcher (premier VK) in de jaren ‘80 betoogd en vervolgens door politieke partijen van links tot rechts omarmd. Als gevolg daarvan werden in de jaren ‘90 in de hele kapitalistische wereld overheidstaken overgedragen aan marktpartijen: nutsbedrijven werden geprivatiseerd, stichtingen met maatschappelijke taken moesten marktgericht gaan werken. Ook in Nederland.

Misschien zijn misstanden in sommige instellingen, zoals bij woningcorporaties en zorginstellingen, incidenten die niet worden veroorzaakt door marktmechanismen. Toch is het nuttig dat marktmechanisme nader te bekijken.

Het marktmechanisme: vrije concurrentie

Grondgedachte van de markt is, dat particulieren met elkaar concurreren om de gunst van klanten. Tot ver in de 19e eeuw waren er tal van door de staat gesteunde monopolies, een bedrijf dat het alleenrecht had om in bepaalde goederen te handelen. In Nederland had de Nederlandse Handel-Maatschappij een monopoliepositie in de buitenlandse handel (NHM: “Niemand Handelt Meer”, volgens critici uit die tijd). In Engeland was invoer van graan wettelijk verboden, met als gevolg dat de landadel rijk en brood duur was; ondernemers in de industrie zouden hun arbeiders een lager loon kunnen uitbetalen als brood goedkoper werd; zij pleitten, uiteindelijk succesvol, voor vrije import van graan.

De markt werkt alleen als er vrije, onbelemmerde entree is voor elke aanbieder van een bepaald product. De klant zal de gewenste producten afnemen van de aanbieder met de aantrekkelijkste prijs. De aanbieder die te duur is prijst zichzelf uit de markt. Zolang de verkoopprijs ruim boven de kostprijs ligt, zullen nieuwkomers op deze markt een graantje willen meepikken. Wie te goedkoop aanbiedt, gaat failliet. Uiteindelijk tendeert de marktprijs naar een niveau waarop de kosten van de aanbieders voldoende worden gedekt. Iedereen blij! Tot zover de theorie.

Onmogelijke condities

Hoewel, theorie? Deze theorie gaat uit van het onmogelijke: kan iedereen zo maar aanbieder worden? Er is een flinke investering nodig om iets te kunnen produceren. Dat geldt voor de bakker en nog veel meer voor de autofabrikant! Produceren vereist ook nog eens vakkennis: voor je redelijk snel goede broden kunt bakken heb je behoorlijk wat scholing en ervaring nodig en om auto’s te maken heb je onder andere hooggeschoolde ingenieurs nodig. Dezelfde beperkingen gelden ook voor de dienstenmarkt: stel ik hoor dat tandartsen veel verdienen, meer dan ik aan loon krijg, maar voor ik zelf tandarts ben zijn we heel wat jaren verder, gesteld dat ik de capaciteiten heb om me de benodigde kennis en vaardigheden eigen te maken en tijdens de vele jaren studie genoeg geld heb om mezelf te onderhouden.

Bovendien zijn veel markten afgeschermd door onder andere patenten: je mag het product niet namaken! Daardoor ontstaan monopolies, die de prijs van hun product kunnen opdrijven. We zien dat bijvoorbeeld in de geneesmiddelenindustrie. In sommige bedrijfstakken hebben de aanbieders geen monopoliepositie, maar wel beperkte concurrentie; er ontstaat dan een oligopolie van bedrijven die hetzelfde aanbieden voor ongeveer dezelfde prijs. Zij kijken naar elkaar om binnen een bepaalde prijzenrange te blijven. Dit geldt bijvoorbeeld voor de oliemaatschappijen, de auto-industrie en de vliegtuigindustrie. De voor marktwerking noodzakelijke concurrentie bestaat dus vaak helemaal niet. Daardoor blijven de prijzen van de producten te hoog.

Individuele goederen

In sommige sectoren is concurrentie zelfs volstrekt onmogelijk. Neem het vervoer per trein van A naar B: wil je daar echte concurrentie hebben dan moeten treinmaatschappijen hun eigen rails mogen aanleggen van A naar B, daar hun eigen treinen op kunnen laten rijden, volgens een eigen dienstregeling en voor een door henzelf bepaalde prijs. Iedereen ziet hoe zot dat is! En groot deel van alles wat we gebruiken zijn namelijk zogenaamde ‘collectieve goederen’: zaken die niet verdwijnen als iemand ze gebruikt. Dat geldt voor wegen, parken, vuurtorens, havens, waterleidingen, riolering, steden, spoorwegen, enzovoort. Dat soort zaken moet je als collectief, als volk, als overheid, efficiënt aanleggen, onderhouden en beheren.

Dus: Marktwerking werkt dus niet voor ‘collectieve goederen’, alleen voor ‘individuele goederen’. Individuele goederen zijn goederen die je aan één individu kunt leveren en in rekening kunt brengen, waarna ze niet meer beschikbaar zijn voor iemand anders. Na gebruik van dat goed is het weg, verbruikt, op. Sommige goederen vallen een beetje tussen beide soorten in. Een boek bijvoorbeeld, kun je als individu kopen, maar de letters verdwijnen niet na lezing. Je kunt het boek dus doorgeven of doorverkopen aan een ander.

Volkomen transparantie

Een andere onmogelijke voorwaarde voor het kunnen functioneren van een markt is volledige informatie bij zowel vragers als aanbieders van de op de markt aangeboden producten, kwaliteiten en prijzen. De informatie is er niet. Er zijn reclamepraatjes. Zelfs technische tests worden gemanipuleerd met ‘sjoemelsoftware’ bijvoorbeeld. En of de kwaliteit is wat men belooft blijkt hoogstens na aanschaf en gebruik. Laten we de controle op de kwaliteit van producten over aan de markt zelf, dus aan de aanbieders en vragers, dan zullen er veel consumenten overlijden voor duidelijk wordt dat een product zeer schadelijk is voor de gezondheid!

Gelijk speelveld

Voor zover er verschillende aanbieders zijn voor individuele goederen of diensten, is er alleen een beetje eerlijke concurrentie mogelijk als er spelregels zijn, die bovendien voor iedereen gelijk zijn, net als bij sport. Stel dat bij voetballen elk team zelf mag bepalen met hoeveel spelers het in het veld komt, hoe groot of klein zij het eigen doel mogen maken, of de buitenspelregel accepteert danwel verwerpt, dan is de lol er snel af. Toch gelden op de markt nauwelijks spelregels en al helemaal geen gelijke spelregels. Neem de Europese markt: vaak wordt als voordeel van de Europese Unie genoemd dat het één markt is, goed voor ondernemers en consumenten! Maar de kosten zijn niet voor elke aanbieder van een bepaald product gelijk, en de prijs niet voor elke consument: elk land heft zijn eigen BTW- en winstpercentage, zelf binnen één land krijgt het ene bedrijf bepaalde geheimgehouden belastingvoordelen (de rulings) en verschillen de loonkosten ook enorm.

Conclusie

Markten werken nooit volgens het boekje: er is geen vrije toetreding van aanbieders, markten werken niet voor collectieve goederen, er is geen gelijk speelveld. Markten zijn dus altijd onvolkomen. Pleidooien om de markt productie en distributie te laten bepalen is vooral gebaseerd op bijgeloof of eigenbelang. De markt werkt redelijk voor individuele goederen, mits er spelregels zijn die worden gehandhaafd. Dan is de productie over het algemeen veel hoger en de prijs lager dan bij (staats-)monopolies. Voor collectieve goederen werkt de markt niet, dus dan is een staatsmonopolie onvermijdelijk. Om prijsopdrijving en slechte kwaliteit tegen te gaan dient een monopolie transparant te functioneren en onder controle te staan van toezichthouders, bijvoorbeeld consumentenorganisaties.

 

De Blanke Boze Burger?

Het probleem

Op 8 november 2016 won Donald Trump onverwacht de verkiezingen voor het presidentschap van de Verenigde Staten van Amerika. Eerder dat jaar kozen de Britten in meerderheid – ook onverwacht – voor ‘Brexit’, het verlaten van de Europese Unie.  In ons land werd bij raadgevend referendum het Oekraïneverdrag afgestemd.

Het lijkt alsof de kiezers in opstand zijn gekomen tegen de heersende elite. Zo praten hun woordvoerders er ook over: de elite luistert niet naar ons, het volk, en het volk pikt dat niet langer. Of is het alleen de blanke man die boos is? Waarom zou de blanke man boos zijn? Het gaat hem toch goed en is hij is toch bijna overal de baas? Hebben vrouwen, minderheden en mensen met een donkere huidskleur niet meer redenen om boos te zijn? Of is het alleen de blanke, laaggeschoolde, door bijna iedereen voorbijgestreefde, blanke man die boos is? Is het een rassenprobleem of een klassenprobleem, of een heel ander probleem?

De oorzaken

Ik denk dat veel blanke mannen en vrouwen boos zijn omdat ze bang zijn. Als je bang bent word je boos op wie of wat jou bedreigt. Zij zijn bang voor de toekomst: houd ik mijn werk, houd ik mijn inkomen, mijn huis, mijn pensioen? Zullen mijn kinderen het redden? Die angst is niet vreemd: tijdens de financieel-economische crisis die in 2008 zichtbaar werd verloren in de VS en Europa miljoenen mensen hun werk, inkomen, huis. Zij verwachtten dat de politiek, hun regering, daar wat aan zou doen, maar dat gebeurde niet. Banken werden gered, maar veel andere particuliere ondernemingen gingen reddeloos ten onder. Sinds de neo-liberale revolutie van Reagan, Thatcher, Blair en Kok grijpen westerse regeringen niet meer in in de economie: het is de markt die het herstel moet brengen; de staat kan dat niet, die kan alleen maar markten verstoren. Dit is een ijzersterke politieke theorie. Je hoeft als regering niet in te grijpen, niemand te redden, want als je zou ingrijpen zou de crisis alleen maar erger worden en langer duren. En net als mensen die hun inkomen zien kelderen baan vermindert de overheid haar uitgraven, om zo een vergroting van haar schulden te voorkomen. Maar anders dan bij de particulier, die zijn uitgaven aanpast aan veranderende situatie, zonder dat daarmee de economie ingrijpend wordt beïnvloed, verergert de overheid die bezuinigt de krimp van de economie: als het totaal van alle  vraag naar goederen en diensten in een land omlaag gaat, dan gaat ook de productie van die goederen en diensten omlaag, worden dus nog meer mensen ontslagen, dalen inkomens enzovoort. De meeste economen weten dit en hebben ervoor gewaarschuwd. Waarom heeft de Nederlandse overheid, in lijn met de andere leden van de Europese Unie, dan toch vertrouwt op de markt? Dat is, omdat de communistische planeconomieën schromelijk hebben gefaald! Omdat overheden niet de voorkeuren van consumenten kennen, noch in staat zijn efficiënt te produceren wat klanten vragen. De markt is daarvoor de oplossing! En dat werkt uitstekend voor wie de juiste scholing heeft, jong en zelfredzaam is, verstandige keuzes maakt. Terzijde: de markt veronderstelt dat iedereen ondernemer kan worden en naar believen kan toetreden tot elke markt of kan uittreden, dat iedereen volmaakt geïnformeerd is over wat er te koop is en tegen welke prijs; en dat die informatie morgen ook nog geldt. Gegeven die onrealistische voorwaarden is iedereen dus zelf verantwoordelijk voor zijn succes. En wie niet zijn plaatsje onder de zon weet te veroveren, moet beter zijn best doen! Liberalen, sociaaldemocraten en Christendemocraten, feitelijk alle middenpartijen, hebben die visie omarmd en ernaar gehandeld. En in tijden van hoogconjunctuur brengen de vrije markten en de vrijhandel welvaart; weliswaar niet voor iedereen, want sommigen verliezen hun werk omdat er landen zijn die hetzelfde goedkoper kunnen produceren, maar de inkomensgroei van de bofkonten zal omlaag druppelen naar de achterblijvers. Dat heet tickel-down economics. Maar er zijn winnaars en verliezers.

In elke samenleving zijn er verbindingen en scheidslijnen. Met de leden van je gezin, familie, groep, volk voel je je verwant. Je kunt er ruzie mee hebben, zelfs heftige ruzie, maar jij hoort er wel bij. Er zijn echter ook groepen di er niet bij horen: zij behoren tot een ander volk, groep of familie; zij zien er anders uit, hebben andere gewoonten, hangen een vreemde religie aan, spreken een andere taal.

De oplossingen

In elke samenleving bestaan hechte groepen. Families en vrienden horen bij Ons Soort Mensen. Anderen deugen misschien ook wel, maar die ken je niet zo goed. Wellicht herken je ze wel als lieden die bij jouw groep zouden kunnen gaan horen. Als ze dezelfde taal spreken, er ongeveer hetzelfde uitzien, vergelijkbaar of herkenbaar gedrag vertonen, is nader contact goed mogelijk. Een plaatsgenoot elders in het land, een landgenoot elders in de wereld, haal je er zo uit! Is het niet de streektaal of het Nederlands waar herkenning op gebaseerd is, dan is het wel uiterlijk en gedrag. Maar mensen die een andere taal spreken, er anders uitzien, ander gedrag vertonen, wekken wellicht je interesse, maar de kans dat ze je vrienden worden, of je partner, is kleiner dan bij mensen die je herkent als van jouw soort. De bioloog Richard Dawkins ziet daarin de dwingende kracht van onze genen: je probeert je genen te laten overleven en daarom help je je kinderen, kleinkinderen, verdere familie, maar niet wie geen genen met jou deelt, tenzij je daar zelf voordeel bij hebt.

Elke samenleving bestaat uit groepen en subgroepen, met onderlinge bindingen en scheidslijnen. En iedereen is feitelijk jouw concurrent. Al binnen een gezin concurreren kinderen om de aandacht en waardering van hun ouders, met anderen concurreren zijn op school, op de huwelijksmarkt, de arbeidsmarkt, de woningmarkt. Zolang die concurrenten leden zijn van jouw familie, vriendkring, groep of volk, is dat aanvaardbaar: die band verhindert het uit elkaar drijven van bevolkingsgroepen. Mocht je al angst hebben voor jouw positie op een van die markten, of daadwerkelijk posities verliezen, dan richt je je boosheid op de anderen, de onbekende anderen, bij voorkeur de vreemdelingen. Dan gaan racisme en discriminatie een rol spelen, ook al hebben die anderen geen andere rol gespeeld op die markten dan jouw familie, vrienden en groepsgenoten. Er is grote kans dat die angst en boosheid zich richten op groepen die klein en zwakt zijn en helemaal geen concurrent zijn op welke markt dan ook. Je kunt immers beter vechten tegen een zwakkeling dan tegen iemand die sterker is dan jijzelf. Wilders en andere populisten in Europa wijzen op de migranten en vluchtelingen als onze concurrent. Trump wil de grenzen van de VS sluiten voor moslims, die allemaal jihadisten zijn, en voor Mexicanen, die allemaal drugscriminelen en verkrachters zijn. En als de bedreiging van jouw positie veroorzaakt wordt door het beleid van leden van de politieke, maatschappelijke en economische elite, dan is dat nog geen reden om tegen die elite te strijden: die categorieën zijn niet helder afgebakend en herkenbaar, en zeer onbenaderbaar en onbereikbaar. Dus richt je je woede op de meest nabije, zichtbare, zwakste ander: de immigrant, de vluchteling, de vreemdeling, de “elite” die dit allemaal heeft laten gebeuren.

Pas als er verkiezingen zijn heb je de mogelijkheid de politieke elite een poepie te laten ruiken. Dan stem je tegen wat die lui voorstellen, dondert niet wat zij voorstellen, dat is toch te ingewikkeld en daar wordt bovendien over gelogen. Zijn zíj ergens voor, dan ben jíj daar tegen, zijn zij ergens tegen, dan ben jij dus daarvoor. En willen zij dat jij op hun kandidaat stemt, dan stem jij op een kandidaat die zegt dat hij anders is en absoluut niet tot de politieke elite behoort. Zo worden scheidslijnen en vijandbeelden gecreëerd: wij, het volk, wordt bedreigd door vreemdelingen en de heersende elite doet daar niets tegen, die is alleen geïnteresseerd in continuïteit van haar positie.

In tijden van voorspoed en inkomensherverdeling en inkomensgaranties zal de angst en de woede weinig mensen bezighouden. Dat wordt anders in tijden van toenemende schaarste. Dat gebeurt in Afrika, bijvoorbeeld, door de bevolkingsexplosie en het gebeurt in Europa door immigratie, de komst van vluchtelingen en de financieel-economische crisis. Wanneer mensen worden belazerd door financiële instellingen, diezelfde instellingen met belastinggeld worden gered van hun zelfgecreëerde ondergang, terwijl de slachtoffers van die crisis niet gered worden als ze hun baan of huis verliezen, of zouden kunnen verliezen, ja, dan neemt de woede toe. Trump wist daar handig op in te spelen, door terugkeer te beloven van de naar het buitenland vertrokken industrie. Dat kan door hoge invoertarieven, maar dat maakt de in het eigen land geproduceerde of uit het buitenland geïmporteerde producten wel flink duurder. Wel werk, maar ook armer, is daarvan het resultaat. Maar dat zei Trump er niet bij.

De angsten van het gewone volk zijn dus terecht; zij vrezen voor hun toekomst. De oplossing die populisten kiezen ligt voor de hand maar is nauwelijks werkzaam: het is mogelijk immigranten en vluchtelingen de toegang tot het land te ontzeggen, dat neemt de druk op woningen, banen en uitkeringen slechts voor een klein deel weg. Want in tijden van crisis neemt de concurrentie om banen en uitkeringen ook toe zonder immigratie.

Het liberalisme zal het tij niet keren. Dat blijft vertrouwen op de markt, zelfs als is aangetoond dat de markt net zo goed kan falen als een planeconomie. De sociaaldemocratie heeft alle kansen om in te grijpen laten lopen; ook zij gelooft in de markt en laat de ontslagen werknemers in de kou staan. Tegen racisme en discriminatie verzet zij zich gelukkig wel, al neemt ze de oorzaken niet weg. Oproep tot wederzijds begrip is zinloos. Je angst en woede zullen alleen verdwijnen als er zekerheid ontstaat dat je toekomst veilig is. De sociaaldemocratie had dit kunnen doen door de particuliere ondernemingen (die banken nu eenmaal zijn) niet te redden, werklozen banen aan te bieden, bijvoorbeeld door een grootscheeps programma voor wamte-isolatie van gebouwen te starten, het huis van mensen die het niet meer kunnen betalen, zo nodig te kopen voor de prijs die het waard is volgens door de overheid vastgestelde ozb-waarde, als een gek goedkope huizen te bouwen als er migranten en vluchtelingen komen zodat huren niet worden opgedreven en wachtlijsten snel korter worden. Creatieve politici zouden hiervoor nog meer ideeën kunnen verzinnen.

Weg met de werkloosheid!

Werkloosheid veroorzaakt grote problemen:

Verlies van

  • inkomen
  • zingeving
  • contacten
  • zelfrespect

Effecten hiervan zijn – onder andere:

  • inzakken van de conjunctuur (door minder bestedingen)
  • nog meer werkloosheid
  • armoede
  • gedwongen verhuizingen
  • psychische problemen
  • boosheid, gericht op de samenleving

Dat laatste is mede een oorzaak van radicalisering onder jongeren uit minderheidsgroepen, in West-Europa vooral onder jonge moslims. Zij hebben vaak een ontwikkelingsachterstand, een niet-afgemaakte opleiding, daardoor geen werk en als ze wel wat te bieden hebben, worden ze vaak om hun naam, religie en achtergrond niet aangenomen. Bij de aanslagen in Parijs in januari en november 2015, lijkt dat een belangrijke rol te spelen in de radicalisering van jonge moslims in de achterstandswijken. In Tunesië en Egypte was de grote, uitzichtloze werkloosheid – ook onder geschoolde jongeren – mede oorzaak van de ‘Arabische lente’.

Bij (westerse) overheden leeft een zwak besef dat er iets aan de werkloosheid moet worden gedaan: banenplannen, sollicitatiecursussen, beetje lagere loonkosten en andere maatregelen. Het enige effect is, dat de uitvoerders van die plannen werk hebben, hun doelgroep echter niet.

Er zijn betere oplossingen:

  1. Het aanzwengelen van de bestedingen, waar veel economen voor pleiten, maar waar liberale beleidmakers tegen zijn: dat kan de begroting in gevaar brengen! Echter, extra bestedingen betekenen ook extra belastinginkomsten die de extra uitgaven kunnen dekken.
  2. Als overheid zelf werklozen in dienst nemen. Echte banenplannen dus. Er zijn tal van terreinen te bedenken waarop zowel laaggeschoolden als hooggeschoolden nuttig werk kunnen doen. Je kunt zelfs creatieve geesten in dienst nemen om zulke plannen te ontwikkelen. Dit is tevens een vorm van oplossing 1: bestedingen aanzwengelen via de hogere inkomens van de nu werkenden. Omdat de werkloosheidsuitkeringen wegvallen zijn de kosten van dit soort plannen slechts in beperkte mate hoger dan de kosten van werkloosheid.

Dit soort ideeën zijn volstrekt in strijd met de ideeën van de liberalen: ‘De overheid creëert geen banen’. De werkelijkheid is, dat de overheid in feite vele honderdduizenden banen schept, door ambtenaren in dienst te nemen en voorts door werken te laten uitvoeren. Liberalen hebben liever dat de overheid zo min mogelijk doet (behalve als een particuliere onderneming moet worden gereed: dat mag miljarden kosten) en dat ondernemers vrij baan krijgen. Echter, vrij baan voor de ondernemers betekent dat de werkloosheid voortduurt en dat te veel vrijheid leidt tot grote schade voor de samenleving en het milieu (bankencrisis, vastgoedfraude, Volkswagen).

Laat de overheid, zowel op lokaal niveau als landelijk, werklozen banen aanbieden, ongeacht hun achtergrond, zo nodig aangevuld met scholing*. Dat verbetert de positie van werklozen enorm, stimuleert de economie, vermindert sociale en psychologische problemen; het maakt de samenleving prettiger, veiliger. Naarmate de economie groeit zullen steeds meer van deze ervaren en geschoolde werknemers overstappen naar het bedrijfsleven. Daar kunnen liberalen toch niet tegen zijn?

* ‘Onbetaalbaar!’ zal menigeen verzuchten. Echter: de regering wil 5 miljard aan belastingverlichting doorvoeren. Er zijn al jaren rond de 600.000 werklozen. Stel dat daarvan 100.000 op eigen kracht een baan kan vinden; zij zijn werkloos maar hebben goede opleiding en ervaring en zijn nog jong: zij vinden snel zelf weer een baan. Dan is er per werkloze 10.000 Euro beschikbaar; half voor lonen, half voor voorzieningen om te kunnen werken. Stel dat de gemiddelde uitkering van deze werklozen nu 20.000 bedraagt, dan kan hun inkomen toenemen tot gemiddeld 25.000 euro per jaar. Dat zal voor veel werklozen interessant zijn. Het effect zal een toename van de economische groei zijn, zeg tot 1%. Dat betekent een toename van de belastingopbrengsten van ongeveer anderhalf miljard. Het zal niet eens nodig zijn om alle 500.000 werklozen aan het werk te krijgen via dergelijke banenplannen; als de economie aantrekt zullen bedrijven vacatures proberen te vervullen en zullen ex-werklozen uit het banenplan overstappen naar het bedrijfsleven. Na verloop van een paar jaar zijn de gemaakte kosten terugverdiend, is de werkgelegenheid volledig en de economie in bloei!

 

Religie en moreel gedrag

In November 2015 verschenen de uitkomsten van een studie van de Universiteit van Chicago naar moreel gedrag van kinderen tussen 5 en 12 jaar in Canada, China, Jordanië, Turkije, de VS en Zuid-Afrika. Het ging om de relatie morel gedrag en religie: zijn kinderen uit een religious gezin meer bereid spullen te delen met andere kinderen dan kinderen uit een niet-religieus gezin?

Het onderzoek concludeert:

‘Consistent with previous studies, in general the children were more likely to share as they got older. But children from households identifying as Christian and Muslim were significantly less likely than children from non-religious households to share their stickers. The negative relation between religiosity and altruism grew stronger with age; children with a longer experience of religion in the household were the least likely to share. (vet gemaakt door mij, KS)

Children from religious households favored stronger punishments for anti-social behavior and judged such behavior more harshly than non-religious children. These results support previous studies of adults, which have found religiousness is linked with punitive attitudes toward interpersonal offenses.

“Together, these results reveal the similarity across countries in how religion negatively influences children’s altruism. They challenge the view that religiosity facilitates prosocial behavior, and call into question whether religion is vital for moral development—suggesting the secularization of moral discourse does not reduce human kindness. In fact, it does just the opposite,” Decety said.’

Bron: http://news.uchicago.edu/article/2015/11/05/religious-upbringing-associated-less-altruism-study-finds?utm_source=newsmodule.

Op 6 november besteedde presentatice Ghislaine Plag in het radioprogramma ‘De ochtend’ (KRO/NCRV) aandacht aan dit onderzoek. Zij vond de uitkomsten van dit onderzoek verbazingwekkend. Zij meende dat zij, zelf christelijk, meer met moraal was opgevoed dan niet-religieuze kinderen. (http://www.radio1.nl/items/326755-). Dit is typerend van tal van christenen en aanhangers van andere religies. Het verraad een zekere morele arrogantie. Ooit verbaasde een zeer religieuze vrouw zich over haar waarneming, dat wij, ongelovige ouders van een paar kinderen, ook moreel besef hadden. Een andere keer meende een jonge vrouw, zelf gelovig, dat ongelovigen maar raak kunnen leven omdat zij niet geloven in hemel en hel. Mijn reactie was, dat zij dus kennelijk alleen uit angst voor de hel leefde naar de geboden uit de Bijbel, dus eigenlijk vanuit eigenbelang. Uit het geciteerde onderzoek bleek ook, dat religieuze ouders strenger straffen dan niet religieuze ouders. Ik, humanist, probeer na te denken wat mijn gedrag betekent voor anderen, of ik misschien leed veroorzaak. Zelf nadenken lijkt mij een betere raadgever da de vele, vaak onbegrijpelijke voorschriften uit oude, ‘heilige’ boeken. Zo hebben joden haast onuitvoerbare spijswetten, moslims onzinnige kledingvoorschriften, zoals de lengte van broekspijpen. Moraal gaat over wat je anderen aandoet, niet over hoe je straf kunt ontlopen. Geen wonder dat kinderen uit een niet-religieus gezin beter weten om te gaan met eerlijk delen dan kinderen uit een religieus gezin!

Vluchtelingen en de rechtsstaat

 

De vluchtelingen en de rechtsstaat

 

De stroom nieuwe vluchtelingen naar Europa en naar Nederland, wekt veel beroering. Sommige landen sluiten hun grenzen, andere roepen op tot ruimhartigheid.

Het verzet tegen de komst van meer vreemdelingen neemt toe. Burgemeesters en andere autoriteiten bepleiten voorlichting aan de bevolking van gemeenten waar het COA vluchtelingen wil huisvesten, om vooroordelen weg te nemen. Maar is dat genoeg? Zal dat werken?

Het is nuttig te kijken naar de achtergrond van deze botsing van beschavingen.

 

De vluchtelingen komen uit gebieden waar eeuwenlang tradities het leven bepaalde. Traditionalisme is uitermate nuttig voor kleine gemeenschappen in een onherbergzaam gebied; daar vasthouden aan praktijken die hun nut hebben bewezen is van levensbelang. Naties bestonden niet, de politiek was ver weg. Vreemde mogendheden maakten de dienst uit. Na het verkrijgen van zelfstandigheid werden de nieuw gevormde landen geleid door autocratische bestuurders. Dictatuur, armoede, corruptie, werkloosheid en burgeroorlog teisteren de bevolking tot op de dag van vandaag. De bevolking vertrouwt vooral op familie en op de religie als richtsnoer voor de samenleving. Ontaarden de spanningen in een burgeroorlog, dan vlucht wie kan, zo mogelijk naar Europa dat bekend staat als welvarend en veilig.

 

Een deel van de vluchtelingen is redelijk hoog ontwikkeld en weet zo ongeveer hoe het leven in Europa is; zij zullen betrekkelijk makkelijk integreren in een Europees land. Een ander deel heeft daar een te optimistisch beeld van, alsof het geld en het geluk in Europa op je liggen te wachten. Bij deze groep leeft niet het besef, dat die welvaart en vrede in Europa gebaseerd zijn op burgerrechten: na eeuwenlange strijd vond er geleidelijke inperking laats van de almacht van koning en kerk. Burgers eisten burgerrechten: vrijheid van godsdienst en van denken, vooral zelfstandig, creatief en kritisch denken. De rol van onderzoek, experiment en kritiek op verouderde ideeën namen toe. Wetenschap en techniek werden middelen om de nieuwe problemen van een snel groeiende bevolking op te lossen. Er ontstond een moderne samenleving waarin traditie plaats maakte voor vernieuwing als norm. Massaproductie werd mogelijk door mechanisatie en – later – automatisering, massavervoer gebeurde door treinen, auto’s, oceaanstomers en vliegtuigen; massa-informatie en communicatie door telefoon, radio en tv, computers en internet. Alle wetenschappelijke en technische vernieuwing van de laatste eeuwen ontstond in moderne landen. Dat geldt ook voor geweren, tanks, bommenwerpers en atoomwapens. Alle groepen die elkaar in burgeroorlogen in de vluchtgebieden bestrijden, zowel de machthebbers als de oppositie, zijn volledig afhankelijk van wapens en middelen van transport en communicatie die in het westen zijn uitgevonden, het westen dat sommige van die vechtjassen (zoals IS) haten en afwijzen. Een deel van hun kritiek is terecht: onze samenleving is bij lange na niet ideaal: er zijn misstanden zoals armoede, gerechtelijke dwalingen, corruptie en discriminatie. Maar het zijn inderdaad ‘misstanden’, geen kenmerken van het systeem.

 

Veel vluchtelingen zijn getekend door tradities, dictatuur, corruptie, patriarchaat en religieuze intolerantie. Zullen zij zich in Europa thuis voelen?

Vluchtelingen zouden al bij hun aankomst moeten worden gewezen op de kenmerken van onze moderne cultuur: bijvoorbeeld vrijheid van godsdienst; er wonen hier niet alleen moslims, ook christenen, joden, atheïsten, enzovoort. Mannen en vrouwen hebben gelijke rechten, homoseksualiteit is toegestaan, inclusief het homohuwelijk. Men mag kritiek uiten, ook op autoriteiten, zelfs op religie.

Wie dat niet kan accepteren kan hier niet wonen, maar dient een land te zoeken waar de traditionele waarden en gebruiken nog in ere worden gehouden.

Wie hier wil toch wonen, zou een verklaring dienen te ondertekenen dat hij of zij de geldende grondrechten accepteert. Zoals artikel 1 van de Nederlandse grondwet zegt: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’

 

Een onbekend percentage Nederlanders die zich verzetten tegen de komst van vluchtelingen, staan net zo afwijzend tegenover andere culturen als de traditiegetrouwe vluchteling. Zij zijn elkaars spiegelbeeld. Het modernisme van Europa wordt niet door iedere Nederlander met vreugde omarmd. Voor een deel is hun angst ingegeven door de islamisten die zich na 2001 ook in het westen manifesteren door geweldprediking en aanslagen. Echter, ook vreedzame moslims verstoren hun wereldbeeld. Wat vreemd is, is potentieel gevaarlijk. Je voorkomt dat gevaar door vreemdelingen te weigeren. Niet iedereen is tolerant.. De burgerlijke vrijheden in Europa zijn niet onbedreigd; op tal van momenten in de Europese geschiedenis werden mensen met een andere religie of leefwijze of uiterlijk gediscrimineerd, uitgestoten of vermoord.

De Europese democratische rechtsstaat is een kwetsbaar experiment dat bestaat dankzij de inspanning van vele burgers en politici. Er zijn echter ook burgers en politici die hun eigen positie en rechten belangrijker vinden dan die van anderen.

Zij vrezen toename van de concurrentie op de woningmarkt en daardoor duurder wonen of langer wachten op een woning, en concurrentie op de arbeidsmarkt en daardoor verzwakking van hun positie. En wellicht vrezen zij vooral aantasting van hun angstvallig gekoesterde zekerheid dat hun leefwijze de enige juiste is.. Die angsten zijn reëel en kunnen niet worden weggenomen dor betere voorlichting over de achtergrond van de vluchtelingen; daar werkt alleen rechtsbescherming.

 

De komst van grote aantallen medemensen uit andere culturen is alleen te verenigen met de democratische rechtsstaat als die rechten worden beschermd door grote aantallen mondige burgers en politici. We mogen eisen stellen aan zowel degenen die hier zijn geboren als aan nieuwkomers; wie geaccepteerd wil worden zal anderen moeten accepteren; discriminatie, extremisme en geweld worden niet getolereerd maar zullen worden bestraft. Dat dient de boodschap te zijn, zowel aan nieuwkomers als aan wie hier al een leven lang woont.

liberale mythes

Liberale economie

Het is opmerkelijk dat liberale voormannen, en dan denk ik aan premier Mark Rutte en VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra, een nogal beperkte kijk hebben op hoe de economie werkt. Regelmatig hoor je ze zeggen: ‘De overheid schept geen banen, dat doet het bedrijfsleven, zoals u weet!’ Met die laatste toevoeging ontnemen ze de luisteraar de neiging tot tegenspraak: iedereen weet dat toch? Hoe kun je dan zo dom zijn daar aan te twijfelen? Nu, die tegenspraak is wel nodig, want hun bewering klopt niet: wanneer breidt een werkgever zijn personeelsbestand uit? Zo maar, vanuit een sociale bui? Nee, de werkgever neemt alleen extra personeel aan als er meer vraag is naar de producten die zijn bedrijf voortbrengt. De vraag genereert werkgelegenheid. En wie oefent die vraag uit? Wie oefenen die vraag uit, is beter geformuleerd, want er zijn verschillende groepen vragers. Het zijn consumenten die behoefte hebben aan huisvesting, kleding, voeding, scholing, vervoer, recreatie enz.; het zijn bedrijven die behoefte hebben aan grondstoffen, vervoersmiddelen, machines, enz., als gevolg van de vergrootte vraag naar eindproducten, en het is de overheid die beseft dat  de samenleving – inclusief het economisch leven – alleen kan functioneren als er autowegen, spoorwegen en waterwegen zijn, energiebedrijven, dijken, defensie, rechtspraak enz. Al deze vragers geven geld uit om aan die behoeften te voldoen. De consumenten hebben geld als ze werk hebben of een uitkering, de bedrijven hebben geld als ze producten verkopen, de overheid heeft geld als ze zich laat betalen voor haar diensten direct door er een prijs voor te vragen en indirect door belasting te heffen. Een voorbeeld: als een particulier een vuurtoren laat bouwen schept hij werk, en als de overheid een vuurtoren laat bouwen niet? Als een particulier een beveiligingsdienst inhuurt schept hij werk en als de overheid een politieapparaat financiert niet? Zo dom kunnen de liberale leiders onmogelijk zijn, hoop ik.

Een ander mantra van deze liberale voormannen is, dat de overheid moet bezuinigen als ze meer uitgeeft dan ze ontvangt. Daarbij wijzen ze altijd op de luisteraar: ‘u kunt toch ook niet eindeloos meer geld uitgeven dan u binnenkrijgt?’ Opnieuw is de luisteraar zo overdonderd dat hij schuldbewust ja-knikt, want zo is het, dat is immers zo klaar als een klontje! Opnieuw geldt: dat is te simplistisch: De overheid kan eindeloos meer geld uitgeven dan ze binnenkrijgt, zo lang het tekort de groei van de belastingmiddelen – door groei van het nationale inkomen – niet overtreft. Dat heeft ruim een halve eeuw geleden de toenmalige minister van economische zaken en van later van financiën, de monetair-econoom Jelle Zijlstra al betoogd; het was zijn beroemde ‘Zijlstra-norm’. Bij economische groei nemen de belastinginkomsten van de overheid toe. Wat zij dit jaar tekort komt, krijgt zij er volgend jaar bij. Dat betekent niet dat de overheid naar een tekort moet streven. In plaats van geld te lenen kun je ook dat tekort in de vorm van verhoogde belasting innen. Voor grote investeringen kan de overheid best geld lenen van instellingen, die tijdelijk geld over hebben en dat graag tegen  rente willen wegzetten, zoals pensioenfondsen. Particulieren lenen ook geld voor grote uitgaven zoals een huis of een auto. Om de werkgelegenheid – en daarmee de economie – te stimuleren, is vergroting van de vraag nodig. De vraag van consumenten kan worden verhoogd door belastingverlaging, de vraag van bedrijven kan worden verhoogd, door loonkostenverlaging, de vraag van de overheid kan worden verhoogd door investeringen. Welke variant wordt gekozen is een politieke keuze. Altijd alleen maar bezuinigen geeft het risico van economische stagnatie.

Populisme

Recept voor een populistische partij

  1. Besef dat in een samenleving iedereen elkaars concurrent is: op de arbeidsmarkt, op de markt voor uitkeringen, op de markt voor woningen, op de consumentenmarkt. Wat een ander krijgt, krijg jij niet. Concurrentie op de banen- en uitkeringsmarkt leidt tot lagere lonen en inkomsten, concurrentie op de woningmarkt en consumentenmarkt  tot hogere huren en prijzen. Deze concurrentie wordt vooral gevoeld als je solliciteert op een baan of als je op de wachtlijst staat voor een goede woning. Het geldt zelfs bij de jacht op een partner: als een ander weg loopt met degene waar jij je oog op had laten vallen ben je op zijn minst teleurgesteld, misschien zelfs kwaad op die concurrent en op degene die jou heeft versmaad!
  2. Deze concurrentie bestaat vooral binnen sociale lagen, niet tussen die lagen, en is sterker in de lagere sociale lagen dan in de hogere: binnen de lagere sociale lagen zijn er meer concurrenten, binnen de kleinere, hogere sociale lagen bepalen opleiding, traditie en afkomst ieders positie: men is eerder een vrindenclub dan een speler op een competitieve markt.
  3. Het besef dat alle anderen je concurrenten zijn wordt gecompenseerd door de banden die je hebt met de mensen in jouw buurt: je familie, je vrienden, de leden van dezelfde vereniging (kerk, sportclub, politieke partij enz.). Je bent misschien zelfs blij voor die ander als die een goede baan, een leuke woning of een lieve partner vindt. Dit maakt de eventuele onlustgevoelens over concurrenten tot een vaag en latent gevoel, dat meestal wordt overheerst door andere, meer positieve gevoelens.  Feestjes, cadeautjes en andere rituelen bevestigen de band met de jouwen.
  4. De latente onlustgevoelens kunnen dus geen basis zijn voor het stimuleren van haat tegen “anderen”, want zij zijn als jij, het is je familie, het zijn je vrienden of het zouden je vrienden kunnen worden.
  5. Dit wordt anders als er één of meer groepen in de samenleving zijn die niet zijn zoals jij, je familie of je vrienden; die qua uiterlijk, kleding, taal, religie en gebruiken duidelijk herkenbaar afwijken van jouw soort mensen.  Dan worden het herkenbare concurrenten zonder de compenserende factor van de banden die je hebt met jouw soortgenoten.
  6. Nu is er een grondslag voor populistische propaganda: ‘Let op! Zij (die anderen) proberen jou je mooie leventje af te pakken! Zij pikken je baan in, je huis, je straat,  zij eisen uitkeringen en toeslagen, allemaal ten koste van jou! Ze pakken jou je cultuur af en je zekerheden! Het zijn criminelen die je niet kunt vertrouwen! Maar er is een oplossing: zij moeten hun mond houden, zij moeten zich aanpassen of zij moeten weg.’
  7. Deze populistische propaganda maakt nu de latente onlustgevoelens manifest. Er is nu een naam gegeven aan de ongenoegens, zelfs ongenoegens die een volstrekt andere oorzaak  hebben krijgen nu een plaats.  De herkenbare ander is de vijand, niet de vriend of anderen van jouw soort. Een deel van de bevolking voelde zich toch al niet helemaal happy, bijv. door een mislukte schoolcarrière, een slecht betaalde baan, zich niet volwaardig geaccepteerd voelend, enz. Zij steunen de populistische partij die zulke duidelijke standpunten heeft;  die de waarheid durft te zeggen. Alle andere partijen draaien om de hete brij heen, zij verdoezelen de feiten, zij zijn bang maatregelen te treffen. Die zijn dus slap, het zijn alleen maar zakkenvullers, die moeten ook bestreden worden.
  8. Een deel van de aanhang gelooft in een complot: die afwijkende minderheidsgroep heeft veel soortgenoten in het buitenland en zij beramen in het geheim een machtsovername in jouw land.
  9. Dankzij deze redeneertruc heb je een zondebok aangewezen; dat ontslaat  je van de moeilijke taak echte problemen diepgaand te analyseren en er werkzame oplossingen voor te bedenken en die oplossingen ook nog eens uitvoerbaar en betaalbaar te maken in overleg met andere politieke partijen en maatschappelijke organisaties.  Je kunt nu volstaan met goedkope praatjes!
  10. Deze populistische tactiek heeft uitstekend gewerkt tegen joden, moslims, chinezen, heksen, ketters, negers, zigeuners, enz. Deze aanpak leidt de aandacht namelijk af van de hogere sociale klassen die het mikpunt zouden kunnen worden van agressie door de lagere klassen als die hun positie zouden willen verbeteren ten koste van de rijke bovenlaag.