Politiek

Spogmai

Op 7 januari 2004 meldde de NRC en tal van andere bladen in binnen- en buitenland dat het 11 jarige Afghaanse meisje Spogmai was aangehouden met een bomvest. Ze zou door haar broer, een Talibancommandant, zijn opgedragen een zelfmoordaanslag te plegen.

Het nieuws op de TV toonde een interview met het meisje, waarin het verhaal iets anders liep: zij vertelde, dat ze het bomvest had afgedaan en naar huis was teruggekeerd, door haar vader was geslagen en toen het huis was uitgevlucht en de volgende dag naar een politiebureau in een naburig dorp was gelopen. Als deze versie waar is, dan is geeft dat hoop. Dan is zij net zo verstandig en opstandig als het eveneens Afghaanse meisje Malala Yousafzai, die pleitte voor onderwijs voor meisjes en door de Taliban was neergeschoten: meisjes hebben geen onderwijs nodig, zij moeten zich houden aan wat mannen haar opdragen en verder zwijgen. Wie dat niet doet verdient de dood.

Maar er zit nog een andere kant aan het verhaal: die broer, die een aanslag noodzakelijk acht, pleegt die aanslag niet zelf, de lamlendige lafaard. Hij draagt zijn zusje op die aanslag te plegen. Meisjes hebben, net als alle vrouwen in Afghanistan, geleerd dat mannen de baas zijn en moeten worden gehoorzaamd. Misschien had Spogmai al eerder ontdekt dat haar grote broer een ontzettende klootzak was en was ze om die reden opstandig en ongehoorzaam. Even was ik verbaasd en geschokt dat er zulke mannen bestaan, mannen die anderen opdragen zich op te offeren, maar zelf – hier letterlijk – buiten schot wensen te blijven.

Bij nader inzien is dat echter niet ongewoon. Is dat niet het normale gedrag van elke generaal, minister, manager en man die meent de baas over anderen  te mogen spelen? Hoeveel mensen zijn er niet opgeofferd in de loop der eeuwen, in alle streken van de wereld, niet in het minst in Europa, door koningen en andere leiders, die zelf geen risico liepen? Die van achter hun bureau anderen opdracht gaven hun leven te riskeren? De besluitvormers zijn de helden, meer dan hun slachtoffers. Voor de leiders worden standbeelden opgericht, voor hun slachtoffers een monument.

Wordt het niet tijd dat wij allen Malala’s en Spogmai’s worden, en weigeren de kastanjes voor anderen uit het vuur te halen?

.

De dwaas die faalde

Over Adolf Hitler worden nog steeds veel boeken geschreven. Behalve serieuze historische werken nu ook komische. Het boek van Timur Vermes Er ist wieder da is een bestseller in Duitsland.

Van de serieuze werken is vaak de centrale vraag: hoe heeft Hitler zo veel macht kunnen vergaren? Dat is inderdaad een belangrijke vraag, want wie kijkt naar de kwaliteiten van Hitler komt vaak niet veel verder dan oratorisch vermogen. Tijdgenoten vonden hem een fascinerend spreker, partijgenoten verbaasde hij met zijn visie en genadeloze keuzes, generaals imponeerde hij met zijn kennis van legeronderdelen, wapensystemen en tactieken (zie voor dat laatste: Guide Knopp, Die Wehrmacht; eine Bilanz. 2009).

Tot 1939 was Hitler zeer succesvol: verwerping van het Verdrag van Versailles en daarmee stoppen met het betalen van oorlogsschulden, herovering van het Rijnland en het inpikken van Sudeten-Duitsland, effectieve bestrijding van de crisis en de daaraan gekoppelde werkloosheid, invoering van vakantie en sociale zekerheid voor arbeiders, verbod op politieke partijen behalve de zijne en afschaffing van verkiezingen en het parlement.

Was Hitler op dat moment overleden of vermoord, dan was zijn faam alleen maar groter geworden. Nu weten we dat hij Duitsland en veel andere landen en volken in het verderf heeft gestort.  Zijn doel, Europa te beheersen, heeft hij nooit bereikt. Hij was de man die faalde, een loser. Misschien was de belangrijkste oorzaak van dat falen het ontketenen van een oorlog die Duitsland nooit kon winnen: Duitsland was weliswaar groot en sterk, maar het beschikte bijvoorbeeld niet over het materieel om legers op Britse grond te zetten. Duitsland kon alleen het vasteland van Europa bezetten en slaagde daar zeer goed in: het vaste land van West-Europa werd in rap tempo onder de voet gelopen. Om die landen te bezetten waren veel manschappen nodig die niet konden deelnemen aan de volgende fase: de strijd in Oost-Europa. En juist daar faalde hij: Rusland was te groot om snel te bezetten en ook daar ontbrak het hem aan voldoende materieel om de vijand snel ten val te brengen. Tot aan de inval in Rusland zond Rusland onmisbare goederen naar Duitsland. En toen Hitler– volledig onnodig (Zie Ian Kershaw, Fatal Choices; ten decisions that changed the World 1940-1941. 2007, p. 382 e.v.) – de VS de oorlog verklaarde had hij er een machtige vijand bij, die weliswaar op twee fronten moest vechten, maar qua bevolkingsomvang en productievermogen Duitsland verre overtrof.

De generaals die geloofden in het genie van Hitler en zijn dwaze plannen steunden en uitvoerden, hadden zelf vaak zeer beperkte oorlogservaring. Het Duitse leger was onder Hitler, vanaf 1933, zo snel gegroeid, dat officieren snel promotie maakten omdat er snel veel officieren nodig waren. De generaals uit de eerste Wereldoorlog waren te oud voor actieve dienst of aan de kant gezet omdat zij niet voldoende pro-Hitler waren. (Volgens Knopp klaagde Hitler: ‘Meine Generale verstehen nichts von Kriegswirtschaft’- p.102). Hitler zelf had wel veel oorlogservaring en na de eerste wereldoorlog maakte hij gebruik van de steun van oud-frontsoldaten om zijn partij te organiseren.

Kijken we preciezer naar de oorlogservaring van Hitler, dan moeten we constateren dat die wel langdurig, maar ook zeer eenzijdig was. Alleen al het feit dat Hitler vier jaar oorlog had overleefd moet argwaan wekken: de meeste soldaten overleefden de strijd maar een paar maanden. Dat Hitler het zo lang kon volhouden was, omdat hij net als de officieren, niet aan het front vocht. Hoewel ongeschoold, zowel militair als in algemene zin (hij had met moeite de middelbare school afgerond), kreeg hij als ordonnans zicht op de bewegingen in de strijd. Hij bracht instructies van de legerleiding naar het front, althans naar de dienstdoende officieren daar in de achterhoede, en bracht informatie terug naar de legerleiding. Die tochten waren niet zonder gevaar, want granaten konden afzwaaien, en hij is ook een paar keer gewond geraakt, maar dat gevaar was vele malen kleiner dan aan het front zelf, vooral als er daadwerkelijk werd geschoten. Ordonnansen kunnen de heetste plekken vermijden, zich schuil houden, en zich weer bewegen als de kust veilig is. Hitler was daar voortreffelijk in, anders had hij het niet vier jaar volgehouden! Door die ervaring kende hij wel het soldatenleven, meer als waarnemers dan als medestrijder, maar daar kon niemand na de oorlog nog details over vertellen: van de echte frontsoldaten waren er maar weinig die hem al die tijd hadden meegemaakt; alle anderen waren eerder gesneuveld of veel later gearriveerd. Daarom kon Hitler steeds de schijn hooghouden dat hij een ervaren frontsoldaat was. Vermoedelijk heeft hij kritische soldaten die hem hadden kunnen ontmaskeren als achterhoede-waarnemer, monddood gemaakt toen hij daar genoeg macht toe had.

In de vier jaar dat hij ordonnans was had hij veel geleerd over legers en legeronderdelen, over bevoorrading en tactiek en andere militaire zaken. Hij was breed en diepgaand geïnformeerd over veel aspecten van de oorlogsvoering, beter dan de meeste soldaten en officieren, die vaak maar een beperkt legeronderdeel zien. Een belangrijk leerpunt uit de eerste wereldoorlog was, dat een doel, hoe beperkt ook, mensenlevens mag kosten, veel mensenlevens. Om een heuvel zonder veel strategische waarde te heroveren werden tienduizenden mensenlevens geofferd, om de heuvel daarna weer prijs te geven. Wat gold was, dat een doel werd gesteld en dat doel werd bereikt, hoe dan ook. Die houding hebben Hitler en zijn trawanten zich volledig eigen gemaakt en vastgehouden tot de laatste dagen van de tweede wereldoorlog. Het doel heiligt elk middel. Wordt het doel niet bereikt, dan verdienen allen die daar schuldig aan zijn de dood. Defaitisten, twijfelaars, sceptici, en zeker ook critici, verdienen de doodstraf, ook als de oorlog feitelijk al verloren is. Toen Hitler begreep dat hij definitief gefaald had, er geen  wonderwapens meer zouden komen om het tij te keren,  paste hij die straf ook toe op zichzelf. Toen bleek, zoals de Duitsers zeggen: ‘Jede Konsequenz führt zum Teufel’.

Militair heeft Hitler dus volledig gefaald: hij kon een oorlog beginnen, maar hem niet winnen. Zijn kennis van legers en legeronderdelen was groot, maar volledig gebaseerd op verouderde kennis uit de jaren 1914-1918. Feitelijk maakte het Duitse leger alleen gebruik van conventionele wapens, weliswaar in een modern jasje, maar Hitler was onbekend met en huiverig voor wapensystemen die zich nog niet hadden bewezen. Hij wantrouwde  theorieën van joodse geleerden en technici. Zijn toestemming om te experimenteren met zwaar water ter voorbereiding van de productie van splijtstof (uranium), was halfslachtig. Hij vertrouwde meer op de V-1 en de V-2, feitelijk eenvoudige vliegende bommen die een kleine lading explosieven konden vervoeren en nauwelijks met enige preciesheid op een doel waren te richten. Ze richtten schade aan, maar de geallieerden bombardementen op Duitse steden waren vele malen destructiever. Het wonderwapen waar Hitler regelmatig over sprak had de atoombom kunnen zijn, als Duitsland, net als Amerika, duizenden geleerden jarenlang in het diepste geheim en zonder enige financiële beperkingen aan het werk had kunnen zetten, zonder dat de Gestapo zich ermee zou bemoeien. Hoe zeer de Gestapo geleerden onder druk kon zetten had Werner von Braun gemerkt, toen zijn V-2 niet snel genoeg operatief was. Hij werd verdacht van sabotage. Von Braun slaagde daarna in een bom van één ton 150 km door de lucht te verplaatsen. Moeten we blij zijn dat het Duitse politieke systeem onder leiding van Hitler zulke foute keuzes maakte?

Wat Hitler ook volledig fout beoordeelde waren de geografische feiten. Hitler had in de eerste wereldoorlog in België en Noord-Frankrijk aan het front gebivakkeerd. Daarna was hij van Wenen naar München gereisd. München beschouwde hij als een wereldstad in het centrum van de wereld; in ieder geval in zijn eigen kleine universum. Toen Hitler aan de macht was bezocht hij Italië, om de Duce te ontmoeten. Toen Fankrijk was bedwongen waagde hij zich onder bescherming van het leger in Parijs. Het brandende Praag zag hij vanaf veilige afstand door een verrekijker. Dat waren de grootste reizen die Hitler, een Oostenrijkse provinciaal, ooit heeft gemaakt. Tijdens de tweede wereldoorlog heeft hij, net als inde eerste, nooit echt een front bezocht, nooit de oorlog van dichterbij gezien. In de Wolfschanze, zijn militaire hoofdkwartier in de bossen van Oost-Pruisen – in wat nu Polen is –  boog Hitler zich over landkaarten, waar je een grote afstand met één potloodhaal overbrugt. Hitler dacht dat hij maar hoefde te bevelen of die afstanden werden ook in rap tempo door zijn legers overbrugd. Maar op landkaarten zie je niet de modder die voor wegen moet doorgaan of de extreme kou waardoor de smeerolie in het carter van de dieselmotor van een tank bevriest en legers noodgedwongen tot stilstand komen.

Feitelijk was Hitler altijd de dromer gebleven die hij als kunstenaar was, toen hij in Wenen ansichtkaarten schilderde en verkocht om in zijn levensonderhoud te voorzien, nadat hij door de kunstacademie was afgewezen; hij was een niet onverdienstelijke zondagsschilder, meer niet. Hij miste een eigen stijl en de moderne stromingen waren volledig aan hem voorbijgegaan. Later nam hij wraak op die ‘Entartete Kunst’. Hitler geloofde dat een schets van de toekomst realiteitswaarde had. Met zijn dromen wist hij vele volgelingen aan zich te binden, volgelingen die radeloos waren door de gevolgen  van een verloren wereldoorlog en de uitzichtloze crisis van de jaren dertig en bereid waren de weg in te slaan die hij hen bood. Slechter kon het immers niet worden! En inderdaad, aanvankelijk leek het beter te worden, maar uiteindelijk werd het slechter dan men ooit had kunnen geloven.

Zet daar eens zijn belangrijkste Europese opponent tegenover: Winston Churchill. Churchill was geen dromer; hij was een realist, tot op het cynische af. Churchill geloofde niet in dagdromerij en mooie praatjes. Churchill had verschillende ministerposten gehad, o.a. die van minister van  marine, en kende de wereld; hij had als schrijver en militair, vaak  in een onduidelijke combinatie waarin hij voor kranten schreef maar ook regelmatig meevocht, verschillende uithoeken van het Britse imperium bezocht. Toen de tweede wereldoorlog was uitgebroken reisde Churchill naar de VS om steun te bepleiten en later naar Moskou en Teheran, bijvoorbeeld. Churchill kende de grootte van landen en continenten, de afstanden over land, door de lucht en over zee. Hij begreep dat om op het vaste land van Europa te landen een vloot nodig was van vele duizenden schepen voor manschappen en voorraden, een armada waar jaren van voorbereiding voor nodig waren en in een omvang waar Hitler alleen maar over had kunnen dromen toen hij zijn leger de opdracht gaf Engeland te veroveren. Duitsland beschikte over slagschepen, onderzeeërs, en jachtbommenwerpers, maar daar kun je een land niet mee bezetten.

Zijn meest lugubere droom, een Europa dat van joden gezuiverd zou zijn, heeft Hitler voor 50% bereikt. Die inspanningen gingen ten koste van militaire slagkracht en dat is slechts een schrale troost. Zonder jodenvervolging had Hitler ook de oorlog verloren omdat Rusland en Amerika samen vele malen groter waren dan Duitsland, maar de oorlog had dan vermoedelijk langer geduurd.

Samenvattend kunnen we concluderen dat Hitler een provinciaaltje en dagdromer was, die dankzij de eerste wereldoorlog en de nasleep daarvan in Duitsland, en door de crisis van de jaren dertig, de indruk wist te wekken dat hij Duitsland in de goede richting kon sturen, als minst slechte oplossing tussen extreem links en verdeeld rechts. Hij was meedogenloos genoeg – door karakter en vermoedelijk door de ervaringen in de eerste wereldoorlog – om elke oppositie tegen zijn plannen, eerst binnen zijn eigen partij, daarna in  het land en in het leger, uit te schakelen, zo ongeveer als Stalin in dezelfde tijd deed in Rusland. Eenmaal stevig in het zadel manoeuvreerde Hitler zijn land in een oorlog die desastreus werd voor de landen in Europa, inclusief Duitsland zelf en Hitler zelf.

Hoed u voor dromers!

Vuurwapens in de VS

Regelmatig schrikken we van het bericht dat één of twee jonge mannen in de VS op een school of op een andere plaats hun wapens leegschieten op jonge medeburgers. Nederland en Noorwegen hebben ook hun portie gehad. Vuurwapens zijn gevaarlijk. Verbieden dus?

Even wat feiten: volgens het Amerikaanse Bureau voor Statistiek (us stats). vallen er jaarlijks tussen de negen en tien duizend doden door vuurwapens (periode 2002-2009). Het totale aantal dodelijke slachtoffers van geweld ligt rond de 13 tot 14 duizend. De meeste slachtoffers vallen dus door vuurwapens. Het zijn er bijna 30 per dag. In Nederland gingen in 2011 164 mensen dood door geweld, waarvan 35% van vuurwapens. Dat zijn 57 slachtoffers van vuurwapens. (CBS). De VS is 18,5 maal groter dan Nederland, gelet op het aantal inwoners. Was Nederland net zo groot als de VS, dan zouden dat we in 2011 1000 slachtoffers hebben van vuurwapengeweld, geen 10.000.

In Nederland vielen in 2011 640 verkeersdoden. Hadden de VS er net zoveel per inwoner, dan waren dat er bijna 12 duizend. Maar in de VS zijn dat er 34 duizend. Nederland is dus in twee opzichten veiliger dan de VS: gekeken naar vuurwapendoden en gekeken naar verkeersdoden. Amerikanen zullen de auto niet afschaffen, waarom dan wel vuurwapens? Het risico te worden gedood door een vuurwapen is veel kleiner dan te worden gedood in het verkeer.

Het argument ligt echter niet in het aantal. Het aantal slachtoffers van een actie bepaalt niet de acceptatie van een actie. Het gaat om opzet, verwijtbaarheid en vermijdbaarheid.

Verkeersdoden zijn in belangrijke mate te voorkomen door goede maatregelen, zonder motorvoertuigen af te schaffen. Afschaffing van motorvoertuigen zou het land lamleggen, afschaffing van vuurwapens niet.

Maar, zegt de wapenlobby, de NRA: ‘De beste verdediging tegen een slecht mens met een wapen is een goed mens met een wapen.’ Alsof je aan de buitenkant kunt zien of iemand een slecht of een goed mens is, en of niet een ‘goed’ mens ook wel eens een ‘slecht’ mens kan worden. Vaak zegt de omgeving over een dader: het was zo’n fatsoenlijke jongen.

De oplossing van de NRA is: meer wapens, in plaats van minder. Plaats in elke school gewapende wachten. Dat is natuurlijk een ernstige vorm van uitlokking: je bindt de kat op het spek want iedere halve gare die de neiging heeft zijn wapens eens lekker leeg te schieten op mensen meldt zich natuurlijk aan voor zo’n job. Als daar te veel beveiliging staat, gaat hij naar een winkelcentrum; dus dan ook daar gewapende wachten. Dan gaat hij naar sportvelden; ook daar gewapende wachten, tot iedere Amerikaan gewapend op wacht staat op een straathoek, sportveld, winkelcentrum, school of elke andere plek waar mensen voorbijkomen.

Je moet wel hartstikke ziek zijn om zo’n maatschappij te willen.

Je kunt ook met een hamer of een mes iemand doden, zegt de NRA, dus niet het wapen is het kwaad, maar de gebruiker. Dat klopt, maar met een hamer of een mes kun je niet tientallen mensen in een paar minuten doden.

Bij een verbod op vuurwapens zullen er altijd vuurwapens in omloop blijven vooral in het criminele circuit. Je kunt dat nooit helemaal tegengaan. Maar de kans dat doorgedraaide jongens aan het moorden slaan door hun vuurwapens leeg te schieten neemt extreem af als vuurwapens verboden zijn. Kijk naar Nederland.

Wetenschapsfraude en quasitheorieën

 

Wetenschapsfraude komt regelmatig in het nieuws: psycholoog Stapel is niet de enige, maar wel met kop en schouders de grootste fraudeur die schaamteloos zijn onderzoeksgegevens vervalste. In de media verschijnen artikelen die in gaan op de oorzaken van fraude en oplossingen voorstellen. Als fraude kan worden uitgebannen, zijn dan voortaan alle wetenschappelijke publicaties betrouwbaar? Ik vrees van niet. Er bestaan namelijk theorieën die alom worden beschouwd als behorend tot de canon van een bepaald vakgebied, als je de handboeken mag geloven die ze altijd trouw blijven citeren, terwijl bij nader inzien de onderbouwing ervan twijfelachtig is. Zonder naar volledigheid te streven noem ik er één  uit de psychologie, één uit de organisatieleer, en één uit de cultuurwetenschappen: de ‘behoeftenpiramide’ van Abraham Maslow, de ‘teamrollen’ van Meredith Belbin en de ‘cultuurdimensies’ van Geert Hofstede. Daarmee zeg ik allerminst dat zij niet integer zijn. Zij hebben alle drie modellen gepresenteerd die aantrekkelijk zijn door hun eenvoud, overzichtelijkheid en plausibiliteit. Dat is knap. Maar zijn ze ook wetenschappelijk gefundeerd?

Maslow publiceerde in 1943 zijn baanbrekende artikel over de behoeftenpiramide, gebaseerd op klinische studies (vooral naar de behoefte aan bepaald voedsel). De fysiologische behoefte is de basisbehoefte; pas als daar in zekere mate aan is voldaan wil men andere behoeften bevredigen: veiligheid, liefde, waardering en zelfontplooiing. Ook bij die ‘hogere’ behoeften geldt dat de ene behoefte voldoende bevredigd dient te zijn voor een volgende behoefte manifest wordt. Hoewel Maslow een aantal keren expliciet de Amerikaanse maatschappij als context noemt en een aantal voorwaarden noemt waaronder de behoeften zich kunnen laten gelden, heeft zijn theorie de status gekregen van universele geldigheid. Zijn theorie is immers eenvoudig en plausibel; het is een meer wetenschappelijke formulering van ‘Erst kommt das Fressen und dann die Moral’ van Brecht. Het lijkt mij echter onwaarschijnlijk dat iemand uit zeer beperkt klinisch onderzoek in de VS een theorie weet te ontwikkelen die geldt voor alle mensen op aarde, in alle culturen, voor mannen en vrouwen, oud of jong, ongeacht hun maatschappelijke positie en hun omstandigheden en ervaringen, in democratieën en in dictaturen, in tijden van oorlogstijd en van vrede. Ik weet niet of de behoeftenpiramide van Maslow na zijn publicatie dusdanig geoperationaliseerd en getoetst is dat we kunnen spreken van een wetenschappelijke theorie. Hoe stel je controlegroepen samen, bijvoorbeeld? Ik ken zulk onderzoek niet. Mij lijkt de theorie van Maslow meer de droom van een aardige blanke middle class Amerikaan in het midden van de 19e eeuw: hoe mooi zou de wereld zijn als we allemaal gevoed en gezond zouden zijn, ons veilig zouden voelen en  ons konden richten op liefde, waardering en zelfontplooiing! Helaas ziet de wereld er zo niet uit. En er zijn zonder lang zoeken tal van voorbeelden te vinden waarin de door Maslow genoemde behoeften volledig door elkaar lijken te lopen.

De Engelse socioloog Belbin heeft in de jaren ’70 zijn ‘teamrollen’ omschreven. Op basis van rollenspellen in het Henley Management College heeft hij aanvankelijk acht, later negen rollen onderscheiden die mensen in een team of projectgroep kunnen vertonen. Het gaat dan om het type bijdrage dat medewerkers kunnen leveren aan teamsamenwerking. Dat is niet alleen hun vakkennis, maar ook hun procesgerichte bijdrage, zoals een visie inbrengen, vernieuwing zoeken, praktisch ingesteld zijn, aandacht hebben voor de sfeer in het team enzovoort. Volgens Belbin werkt een team het beste als deelnemers verschillende van dit soort ‘teamrollen’ hebben. Belbin heeft tests ontwikkeld om vast te stellen wat voor type teamrol je hebt. Ze zijn op internet in allerlei varianten te vinden, samen met beloften van zeer succesvolle effecten bij selectie van personeel, teamsamenstelling, managementontwikkeling.  Tal van leerboeken in het hbo beschrijven de theorie van Belbin. Het mooie van ‘Belbin’ is dat hij een beperkt aantal herkenbare teamrollen levert en je bovendien een instrument in handen geeft om iemands teamrol vast te stellen. Ik weet opnieuw niet of er betrouwbaar onderzoek is gedaan in het bedrijfsleven of in andere organisaties om te zien hoe teams werken die wel, en hoe teams werken die niet volgens een Belbin test zijn samengesteld (noodzaak van controlegroepen). Ik kan zulke onderzoeken niet vinden. Belbin zelf geeft daar geen duidelijke informatie over. Wel weet ik, dat veel bedrijven en organisaties niet de luxe hebben om met de teamrollen rekening te houden: zij zetten medewerkers in een team op grond van hun expertise. Meestal hebben ze niet zoveel experts van een dezelfde discipline in huis om rekening te houden met de Belbin-teamrollen. En het team is nooit groter dan strikt noodzakelijk is om de klus te klaren. De theorie van Belbin is volgens mij nog steeds niet meer dan een hypothese waarvan het praktisch nut uiterst gering is.

Tot slot noem ik het onderzoek van Geert Hofstede naar cultuurverschillen in de wereld. Op grond van onderzoek onder personeel van IBM in verschillende landen heeft Hofstede vijf ‘cultuurdimensies’ onderscheiden. Het was een uitstekende gedachte om zijn onderzoek te doen in een internationaal bedrijf in verschillende landen, immers, je mag ervan uitgaan dat IBM dezelfde structuur en werkwijze heeft in al zijn vestigingen. Als de medewerkers dan toch andere waarden en praktijken belangrijk vinden blijkens hun antwoorden op een vragenlijst,  kan dat door de verschillen in cultuur komen. Maar hoe representatief zijn medewerkers van een Amerikaans bedrijf in het buitenland voor het hele volk van dat land? Opnieuw is deze theorie eenvoudig en plausibel. Vijf dimensies kun je beter onthouden dan wanneer het er vijfendertig zouden zijn. Bovendien zijn ze plausibel: iedereen weet toch dat bijvoorbeeld de ‘machtsafstand’ in Duitsland en Japan veel groter is dan in Nederland en Denemarken? En dat wij hier veel meer waarde hechten aan individuele verantwoordelijkheid dan bijvoorbeeld de mensen in Zuid-oost-Azië?  Tegen de verwerking van de resultaten van Hofstede’s onderzoek (via vragenlijsten) zijn ernstige bezwaren in te dienen: hij hanteert gegevens die alleen op een glijdende schaal kunnen worden weergeven (ordinale schaal: meer of minder); toch presenteert Hofstede de resultaten als reële getallen. Voor sommige landen zijn die dimensies ‘geschat’, maar  hoe die schatting heeft plaatsgevonden blijft duister. Hofstede berekent bovendien gemiddelden per land voor elke dimensie. Dat is een goocheltruc en geen wetenschap: ordinale gegevens laten zich niet middelen. Het resultaat is wel, dat hij landen kan vergelijken via de waarden die hij zijn dimensies  heeft gegeven. Dat is gelijk het tweede bezwaar: hij geeft dimensiewaarden per land, alsof landen een cultureel homogene bevolkingssamenstelling hebben, los van etniciteit, leeftijd, sekse, opleiding en beroep, maatschappelijke status, religie, politieke opvattingen enzovoort. Natuurlijk zijn sommige landen redelijk homogeen, maar zelfs voor een land met zeer uiteenlopende en gescheiden bevolkingsgroepen als Suriname geeft Hofstede getalswaarden voor zijn dimensies. Gelden die in gelijke mate voor zowel Hindoestanen als creolen? Voor iedereen in gelijke mate? Dat kan niet waar zijn! De dimensies van Hofstede lijken hard maar geven een schijnbetrouwbaarheid. Daardoor is de praktische bruikbaarheid gering. Culturen laten zich lastig meetbaar definiëren, en daarom is de heldere indeling van Hofstede aantrekkelijk. Elk leerboek over culturen geeft er meestal ruim en kritiekloos aandacht aan.

Dit zijn slechts drie voorbeelden van quasitheorieën die als waarheid hun weg in de leerboeken hebben gevonden. Van fraude is geen sprake, de bedenkers zijn ongetwijfeld volledig integer. Maslow, Belbin en Hofstede hebben school gemaakt.  Omdat iedereen ze noemt, herhaalt iedere volgde auteur ze ook zonder kritisch naar de meester te kijken!

Banken redden of vlottrekken van de woningmarkt?

Opnieuw is een bank in de problemen geraakt en op 1 februari 2013 door de overheid gered: de SNS-bank. Ook hier blijkt dat hoge salarissen niet noodzakelijkerwijs kwaliteit aantrekken. De CEO van de SNS die de zaak heeft verprutst had een zeer hoog salaris. Als de eerste de beste amateur-belegger stortte hij zich op vastgoed waar de bank geheel geen ervaring mee had. Het ontbrak aan risicospreiding en zo sleurde de vastgoedportefeuille de hele bank na 2008 naar de afgrond. Ook de commissarissen hadden kennelijk een flauw benul van waar de bank mee bezig was. De Nederlandse Bank zag ook geen problemen. Je kunt als CEO zonder tegenspel je gang gaan. In grote bedrijven bepaalt niet je prestatie de beloning, maar de positie. Je kunt die beloning bovendien opvijzelen door omzet te genereren, hoe dan ook. Voor een deel is dat windowdressing door te lenen aan elkaar. Dan nemen zowel de schulden als de vorderingen toe, en dus het balanstotaal (niet het eigen vermogen!). Kassa! Vastgoed kopen is niet moeilijk als je over miljoenen beschikt. De waarde is lastig vast te stellen; je kunt die op je balans te hoog inschatten. Kassa! Dat de bank er later verlies op leidt is van later zorg; dan ben je allang weer in een andere functie benoemd. Kassa! Uiteindelijk betalen de klanten, de aandeelhouders en de belastingbetalers de schade.

Maar natuurlijk ligt het niet aan de bestuurders; het is de crisis. De vastgoed- en woningmarkt liggen nog steeds op zijn gat. De bouwsector is een belangrijke sector: architecten, aannemers, leveranciers van bouwmaterialen, meubelbedrijven, verhuizers, enzovoort hebben er werk aan. Stort die sector in, dan stort de economie in. De overheid doet er weinig aan. Zij redt wel de banken, maar niet de woningmarkt. Tal van huizenbezitters verkopen hun huis en blijven met een restschuld achter. Op veilingen leveren gedwongen verkopen te lage prijzen op. Waarom doet de overheid niet het volgende: richt een woningbank op, waar mensen hun huis tegen de WOZ-waarde kunnen verkopen. De overheid heeft immers de waarde zorgvuldig vastgesteld! Wie meer denkt te kunnen vangen verkoopt zijn huis niet aan die woningbank. Wie genoegen neemt met de WOZ-waarde kan dat wel doen, bijvoorbeeld na zes maanden, desnoods tegen 97,5 procent van de WOZ-waarde (die andere 2,5 % is voor de kosten van de bank.) Als iedereen zeker weet dat je niet jaren lang met twee huizen blijft zitten, plus een restschuld, durven mensen weer huizen te kopen. De woningbank kan in die fase de aangekochte huizen weer kwijt. De woning- en bouwmarkt komt weer op toeren en jagen de economie aan. Dat stimuleert de vraag naar woningen nog verder. Herstel is ook goed voor de schatkist: inkomstenbelasting, winstbelasting, BTW. Het overheidstekort daalt. Waarom zou de overheid wel particuliere banken redden met miljarden, en niet haar eigen burgers en zichzelf?