Monthly Archives: juli 2013

Vuurwapens in de VS

Regelmatig schrikken we van het bericht dat één of twee jonge mannen in de VS op een school of op een andere plaats hun wapens leegschieten op jonge medeburgers. Nederland en Noorwegen hebben ook hun portie gehad. Vuurwapens zijn gevaarlijk. Verbieden dus?

Even wat feiten: volgens het Amerikaanse Bureau voor Statistiek (us stats). vallen er jaarlijks tussen de negen en tien duizend doden door vuurwapens (periode 2002-2009). Het totale aantal dodelijke slachtoffers van geweld ligt rond de 13 tot 14 duizend. De meeste slachtoffers vallen dus door vuurwapens. Het zijn er bijna 30 per dag. In Nederland gingen in 2011 164 mensen dood door geweld, waarvan 35% van vuurwapens. Dat zijn 57 slachtoffers van vuurwapens. (CBS). De VS is 18,5 maal groter dan Nederland, gelet op het aantal inwoners. Was Nederland net zo groot als de VS, dan zouden dat we in 2011 1000 slachtoffers hebben van vuurwapengeweld, geen 10.000.

In Nederland vielen in 2011 640 verkeersdoden. Hadden de VS er net zoveel per inwoner, dan waren dat er bijna 12 duizend. Maar in de VS zijn dat er 34 duizend. Nederland is dus in twee opzichten veiliger dan de VS: gekeken naar vuurwapendoden en gekeken naar verkeersdoden. Amerikanen zullen de auto niet afschaffen, waarom dan wel vuurwapens? Het risico te worden gedood door een vuurwapen is veel kleiner dan te worden gedood in het verkeer.

Het argument ligt echter niet in het aantal. Het aantal slachtoffers van een actie bepaalt niet de acceptatie van een actie. Het gaat om opzet, verwijtbaarheid en vermijdbaarheid.

Verkeersdoden zijn in belangrijke mate te voorkomen door goede maatregelen, zonder motorvoertuigen af te schaffen. Afschaffing van motorvoertuigen zou het land lamleggen, afschaffing van vuurwapens niet.

Maar, zegt de wapenlobby, de NRA: ‘De beste verdediging tegen een slecht mens met een wapen is een goed mens met een wapen.’ Alsof je aan de buitenkant kunt zien of iemand een slecht of een goed mens is, en of niet een ‘goed’ mens ook wel eens een ‘slecht’ mens kan worden. Vaak zegt de omgeving over een dader: het was zo’n fatsoenlijke jongen.

De oplossing van de NRA is: meer wapens, in plaats van minder. Plaats in elke school gewapende wachten. Dat is natuurlijk een ernstige vorm van uitlokking: je bindt de kat op het spek want iedere halve gare die de neiging heeft zijn wapens eens lekker leeg te schieten op mensen meldt zich natuurlijk aan voor zo’n job. Als daar te veel beveiliging staat, gaat hij naar een winkelcentrum; dus dan ook daar gewapende wachten. Dan gaat hij naar sportvelden; ook daar gewapende wachten, tot iedere Amerikaan gewapend op wacht staat op een straathoek, sportveld, winkelcentrum, school of elke andere plek waar mensen voorbijkomen.

Je moet wel hartstikke ziek zijn om zo’n maatschappij te willen.

Je kunt ook met een hamer of een mes iemand doden, zegt de NRA, dus niet het wapen is het kwaad, maar de gebruiker. Dat klopt, maar met een hamer of een mes kun je niet tientallen mensen in een paar minuten doden.

Bij een verbod op vuurwapens zullen er altijd vuurwapens in omloop blijven vooral in het criminele circuit. Je kunt dat nooit helemaal tegengaan. Maar de kans dat doorgedraaide jongens aan het moorden slaan door hun vuurwapens leeg te schieten neemt extreem af als vuurwapens verboden zijn. Kijk naar Nederland.

Wetenschapsfraude en quasitheorieën

 

Wetenschapsfraude komt regelmatig in het nieuws: psycholoog Stapel is niet de enige, maar wel met kop en schouders de grootste fraudeur die schaamteloos zijn onderzoeksgegevens vervalste. In de media verschijnen artikelen die in gaan op de oorzaken van fraude en oplossingen voorstellen. Als fraude kan worden uitgebannen, zijn dan voortaan alle wetenschappelijke publicaties betrouwbaar? Ik vrees van niet. Er bestaan namelijk theorieën die alom worden beschouwd als behorend tot de canon van een bepaald vakgebied, als je de handboeken mag geloven die ze altijd trouw blijven citeren, terwijl bij nader inzien de onderbouwing ervan twijfelachtig is. Zonder naar volledigheid te streven noem ik er één  uit de psychologie, één uit de organisatieleer, en één uit de cultuurwetenschappen: de ‘behoeftenpiramide’ van Abraham Maslow, de ‘teamrollen’ van Meredith Belbin en de ‘cultuurdimensies’ van Geert Hofstede. Daarmee zeg ik allerminst dat zij niet integer zijn. Zij hebben alle drie modellen gepresenteerd die aantrekkelijk zijn door hun eenvoud, overzichtelijkheid en plausibiliteit. Dat is knap. Maar zijn ze ook wetenschappelijk gefundeerd?

Maslow publiceerde in 1943 zijn baanbrekende artikel over de behoeftenpiramide, gebaseerd op klinische studies (vooral naar de behoefte aan bepaald voedsel). De fysiologische behoefte is de basisbehoefte; pas als daar in zekere mate aan is voldaan wil men andere behoeften bevredigen: veiligheid, liefde, waardering en zelfontplooiing. Ook bij die ‘hogere’ behoeften geldt dat de ene behoefte voldoende bevredigd dient te zijn voor een volgende behoefte manifest wordt. Hoewel Maslow een aantal keren expliciet de Amerikaanse maatschappij als context noemt en een aantal voorwaarden noemt waaronder de behoeften zich kunnen laten gelden, heeft zijn theorie de status gekregen van universele geldigheid. Zijn theorie is immers eenvoudig en plausibel; het is een meer wetenschappelijke formulering van ‘Erst kommt das Fressen und dann die Moral’ van Brecht. Het lijkt mij echter onwaarschijnlijk dat iemand uit zeer beperkt klinisch onderzoek in de VS een theorie weet te ontwikkelen die geldt voor alle mensen op aarde, in alle culturen, voor mannen en vrouwen, oud of jong, ongeacht hun maatschappelijke positie en hun omstandigheden en ervaringen, in democratieën en in dictaturen, in tijden van oorlogstijd en van vrede. Ik weet niet of de behoeftenpiramide van Maslow na zijn publicatie dusdanig geoperationaliseerd en getoetst is dat we kunnen spreken van een wetenschappelijke theorie. Hoe stel je controlegroepen samen, bijvoorbeeld? Ik ken zulk onderzoek niet. Mij lijkt de theorie van Maslow meer de droom van een aardige blanke middle class Amerikaan in het midden van de 19e eeuw: hoe mooi zou de wereld zijn als we allemaal gevoed en gezond zouden zijn, ons veilig zouden voelen en  ons konden richten op liefde, waardering en zelfontplooiing! Helaas ziet de wereld er zo niet uit. En er zijn zonder lang zoeken tal van voorbeelden te vinden waarin de door Maslow genoemde behoeften volledig door elkaar lijken te lopen.

De Engelse socioloog Belbin heeft in de jaren ’70 zijn ‘teamrollen’ omschreven. Op basis van rollenspellen in het Henley Management College heeft hij aanvankelijk acht, later negen rollen onderscheiden die mensen in een team of projectgroep kunnen vertonen. Het gaat dan om het type bijdrage dat medewerkers kunnen leveren aan teamsamenwerking. Dat is niet alleen hun vakkennis, maar ook hun procesgerichte bijdrage, zoals een visie inbrengen, vernieuwing zoeken, praktisch ingesteld zijn, aandacht hebben voor de sfeer in het team enzovoort. Volgens Belbin werkt een team het beste als deelnemers verschillende van dit soort ‘teamrollen’ hebben. Belbin heeft tests ontwikkeld om vast te stellen wat voor type teamrol je hebt. Ze zijn op internet in allerlei varianten te vinden, samen met beloften van zeer succesvolle effecten bij selectie van personeel, teamsamenstelling, managementontwikkeling.  Tal van leerboeken in het hbo beschrijven de theorie van Belbin. Het mooie van ‘Belbin’ is dat hij een beperkt aantal herkenbare teamrollen levert en je bovendien een instrument in handen geeft om iemands teamrol vast te stellen. Ik weet opnieuw niet of er betrouwbaar onderzoek is gedaan in het bedrijfsleven of in andere organisaties om te zien hoe teams werken die wel, en hoe teams werken die niet volgens een Belbin test zijn samengesteld (noodzaak van controlegroepen). Ik kan zulke onderzoeken niet vinden. Belbin zelf geeft daar geen duidelijke informatie over. Wel weet ik, dat veel bedrijven en organisaties niet de luxe hebben om met de teamrollen rekening te houden: zij zetten medewerkers in een team op grond van hun expertise. Meestal hebben ze niet zoveel experts van een dezelfde discipline in huis om rekening te houden met de Belbin-teamrollen. En het team is nooit groter dan strikt noodzakelijk is om de klus te klaren. De theorie van Belbin is volgens mij nog steeds niet meer dan een hypothese waarvan het praktisch nut uiterst gering is.

Tot slot noem ik het onderzoek van Geert Hofstede naar cultuurverschillen in de wereld. Op grond van onderzoek onder personeel van IBM in verschillende landen heeft Hofstede vijf ‘cultuurdimensies’ onderscheiden. Het was een uitstekende gedachte om zijn onderzoek te doen in een internationaal bedrijf in verschillende landen, immers, je mag ervan uitgaan dat IBM dezelfde structuur en werkwijze heeft in al zijn vestigingen. Als de medewerkers dan toch andere waarden en praktijken belangrijk vinden blijkens hun antwoorden op een vragenlijst,  kan dat door de verschillen in cultuur komen. Maar hoe representatief zijn medewerkers van een Amerikaans bedrijf in het buitenland voor het hele volk van dat land? Opnieuw is deze theorie eenvoudig en plausibel. Vijf dimensies kun je beter onthouden dan wanneer het er vijfendertig zouden zijn. Bovendien zijn ze plausibel: iedereen weet toch dat bijvoorbeeld de ‘machtsafstand’ in Duitsland en Japan veel groter is dan in Nederland en Denemarken? En dat wij hier veel meer waarde hechten aan individuele verantwoordelijkheid dan bijvoorbeeld de mensen in Zuid-oost-Azië?  Tegen de verwerking van de resultaten van Hofstede’s onderzoek (via vragenlijsten) zijn ernstige bezwaren in te dienen: hij hanteert gegevens die alleen op een glijdende schaal kunnen worden weergeven (ordinale schaal: meer of minder); toch presenteert Hofstede de resultaten als reële getallen. Voor sommige landen zijn die dimensies ‘geschat’, maar  hoe die schatting heeft plaatsgevonden blijft duister. Hofstede berekent bovendien gemiddelden per land voor elke dimensie. Dat is een goocheltruc en geen wetenschap: ordinale gegevens laten zich niet middelen. Het resultaat is wel, dat hij landen kan vergelijken via de waarden die hij zijn dimensies  heeft gegeven. Dat is gelijk het tweede bezwaar: hij geeft dimensiewaarden per land, alsof landen een cultureel homogene bevolkingssamenstelling hebben, los van etniciteit, leeftijd, sekse, opleiding en beroep, maatschappelijke status, religie, politieke opvattingen enzovoort. Natuurlijk zijn sommige landen redelijk homogeen, maar zelfs voor een land met zeer uiteenlopende en gescheiden bevolkingsgroepen als Suriname geeft Hofstede getalswaarden voor zijn dimensies. Gelden die in gelijke mate voor zowel Hindoestanen als creolen? Voor iedereen in gelijke mate? Dat kan niet waar zijn! De dimensies van Hofstede lijken hard maar geven een schijnbetrouwbaarheid. Daardoor is de praktische bruikbaarheid gering. Culturen laten zich lastig meetbaar definiëren, en daarom is de heldere indeling van Hofstede aantrekkelijk. Elk leerboek over culturen geeft er meestal ruim en kritiekloos aandacht aan.

Dit zijn slechts drie voorbeelden van quasitheorieën die als waarheid hun weg in de leerboeken hebben gevonden. Van fraude is geen sprake, de bedenkers zijn ongetwijfeld volledig integer. Maslow, Belbin en Hofstede hebben school gemaakt.  Omdat iedereen ze noemt, herhaalt iedere volgde auteur ze ook zonder kritisch naar de meester te kijken!