Monthly Archives: mei 2015

liberale mythes

Liberale economie

Het is opmerkelijk dat liberale voormannen, en dan denk ik aan premier Mark Rutte en VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra, een nogal beperkte kijk hebben op hoe de economie werkt. Regelmatig hoor je ze zeggen: ‘De overheid schept geen banen, dat doet het bedrijfsleven, zoals u weet!’ Met die laatste toevoeging ontnemen ze de luisteraar de neiging tot tegenspraak: iedereen weet dat toch? Hoe kun je dan zo dom zijn daar aan te twijfelen? Nu, die tegenspraak is wel nodig, want hun bewering klopt niet: wanneer breidt een werkgever zijn personeelsbestand uit? Zo maar, vanuit een sociale bui? Nee, de werkgever neemt alleen extra personeel aan als er meer vraag is naar de producten die zijn bedrijf voortbrengt. De vraag genereert werkgelegenheid. En wie oefent die vraag uit? Wie oefenen die vraag uit, is beter geformuleerd, want er zijn verschillende groepen vragers. Het zijn consumenten die behoefte hebben aan huisvesting, kleding, voeding, scholing, vervoer, recreatie enz.; het zijn bedrijven die behoefte hebben aan grondstoffen, vervoersmiddelen, machines, enz., als gevolg van de vergrootte vraag naar eindproducten, en het is de overheid die beseft dat  de samenleving – inclusief het economisch leven – alleen kan functioneren als er autowegen, spoorwegen en waterwegen zijn, energiebedrijven, dijken, defensie, rechtspraak enz. Al deze vragers geven geld uit om aan die behoeften te voldoen. De consumenten hebben geld als ze werk hebben of een uitkering, de bedrijven hebben geld als ze producten verkopen, de overheid heeft geld als ze zich laat betalen voor haar diensten direct door er een prijs voor te vragen en indirect door belasting te heffen. Een voorbeeld: als een particulier een vuurtoren laat bouwen schept hij werk, en als de overheid een vuurtoren laat bouwen niet? Als een particulier een beveiligingsdienst inhuurt schept hij werk en als de overheid een politieapparaat financiert niet? Zo dom kunnen de liberale leiders onmogelijk zijn, hoop ik.

Een ander mantra van deze liberale voormannen is, dat de overheid moet bezuinigen als ze meer uitgeeft dan ze ontvangt. Daarbij wijzen ze altijd op de luisteraar: ‘u kunt toch ook niet eindeloos meer geld uitgeven dan u binnenkrijgt?’ Opnieuw is de luisteraar zo overdonderd dat hij schuldbewust ja-knikt, want zo is het, dat is immers zo klaar als een klontje! Opnieuw geldt: dat is te simplistisch: De overheid kan eindeloos meer geld uitgeven dan ze binnenkrijgt, zo lang het tekort de groei van de belastingmiddelen – door groei van het nationale inkomen – niet overtreft. Dat heeft ruim een halve eeuw geleden de toenmalige minister van economische zaken en van later van financiën, de monetair-econoom Jelle Zijlstra al betoogd; het was zijn beroemde ‘Zijlstra-norm’. Bij economische groei nemen de belastinginkomsten van de overheid toe. Wat zij dit jaar tekort komt, krijgt zij er volgend jaar bij. Dat betekent niet dat de overheid naar een tekort moet streven. In plaats van geld te lenen kun je ook dat tekort in de vorm van verhoogde belasting innen. Voor grote investeringen kan de overheid best geld lenen van instellingen, die tijdelijk geld over hebben en dat graag tegen  rente willen wegzetten, zoals pensioenfondsen. Particulieren lenen ook geld voor grote uitgaven zoals een huis of een auto. Om de werkgelegenheid – en daarmee de economie – te stimuleren, is vergroting van de vraag nodig. De vraag van consumenten kan worden verhoogd door belastingverlaging, de vraag van bedrijven kan worden verhoogd, door loonkostenverlaging, de vraag van de overheid kan worden verhoogd door investeringen. Welke variant wordt gekozen is een politieke keuze. Altijd alleen maar bezuinigen geeft het risico van economische stagnatie.

Populisme

Recept voor een populistische partij

  1. Besef dat in een samenleving iedereen elkaars concurrent is: op de arbeidsmarkt, op de markt voor uitkeringen, op de markt voor woningen, op de consumentenmarkt. Wat een ander krijgt, krijg jij niet. Concurrentie op de banen- en uitkeringsmarkt leidt tot lagere lonen en inkomsten, concurrentie op de woningmarkt en consumentenmarkt  tot hogere huren en prijzen. Deze concurrentie wordt vooral gevoeld als je solliciteert op een baan of als je op de wachtlijst staat voor een goede woning. Het geldt zelfs bij de jacht op een partner: als een ander weg loopt met degene waar jij je oog op had laten vallen ben je op zijn minst teleurgesteld, misschien zelfs kwaad op die concurrent en op degene die jou heeft versmaad!
  2. Deze concurrentie bestaat vooral binnen sociale lagen, niet tussen die lagen, en is sterker in de lagere sociale lagen dan in de hogere: binnen de lagere sociale lagen zijn er meer concurrenten, binnen de kleinere, hogere sociale lagen bepalen opleiding, traditie en afkomst ieders positie: men is eerder een vrindenclub dan een speler op een competitieve markt.
  3. Het besef dat alle anderen je concurrenten zijn wordt gecompenseerd door de banden die je hebt met de mensen in jouw buurt: je familie, je vrienden, de leden van dezelfde vereniging (kerk, sportclub, politieke partij enz.). Je bent misschien zelfs blij voor die ander als die een goede baan, een leuke woning of een lieve partner vindt. Dit maakt de eventuele onlustgevoelens over concurrenten tot een vaag en latent gevoel, dat meestal wordt overheerst door andere, meer positieve gevoelens.  Feestjes, cadeautjes en andere rituelen bevestigen de band met de jouwen.
  4. De latente onlustgevoelens kunnen dus geen basis zijn voor het stimuleren van haat tegen “anderen”, want zij zijn als jij, het is je familie, het zijn je vrienden of het zouden je vrienden kunnen worden.
  5. Dit wordt anders als er één of meer groepen in de samenleving zijn die niet zijn zoals jij, je familie of je vrienden; die qua uiterlijk, kleding, taal, religie en gebruiken duidelijk herkenbaar afwijken van jouw soort mensen.  Dan worden het herkenbare concurrenten zonder de compenserende factor van de banden die je hebt met jouw soortgenoten.
  6. Nu is er een grondslag voor populistische propaganda: ‘Let op! Zij (die anderen) proberen jou je mooie leventje af te pakken! Zij pikken je baan in, je huis, je straat,  zij eisen uitkeringen en toeslagen, allemaal ten koste van jou! Ze pakken jou je cultuur af en je zekerheden! Het zijn criminelen die je niet kunt vertrouwen! Maar er is een oplossing: zij moeten hun mond houden, zij moeten zich aanpassen of zij moeten weg.’
  7. Deze populistische propaganda maakt nu de latente onlustgevoelens manifest. Er is nu een naam gegeven aan de ongenoegens, zelfs ongenoegens die een volstrekt andere oorzaak  hebben krijgen nu een plaats.  De herkenbare ander is de vijand, niet de vriend of anderen van jouw soort. Een deel van de bevolking voelde zich toch al niet helemaal happy, bijv. door een mislukte schoolcarrière, een slecht betaalde baan, zich niet volwaardig geaccepteerd voelend, enz. Zij steunen de populistische partij die zulke duidelijke standpunten heeft;  die de waarheid durft te zeggen. Alle andere partijen draaien om de hete brij heen, zij verdoezelen de feiten, zij zijn bang maatregelen te treffen. Die zijn dus slap, het zijn alleen maar zakkenvullers, die moeten ook bestreden worden.
  8. Een deel van de aanhang gelooft in een complot: die afwijkende minderheidsgroep heeft veel soortgenoten in het buitenland en zij beramen in het geheim een machtsovername in jouw land.
  9. Dankzij deze redeneertruc heb je een zondebok aangewezen; dat ontslaat  je van de moeilijke taak echte problemen diepgaand te analyseren en er werkzame oplossingen voor te bedenken en die oplossingen ook nog eens uitvoerbaar en betaalbaar te maken in overleg met andere politieke partijen en maatschappelijke organisaties.  Je kunt nu volstaan met goedkope praatjes!
  10. Deze populistische tactiek heeft uitstekend gewerkt tegen joden, moslims, chinezen, heksen, ketters, negers, zigeuners, enz. Deze aanpak leidt de aandacht namelijk af van de hogere sociale klassen die het mikpunt zouden kunnen worden van agressie door de lagere klassen als die hun positie zouden willen verbeteren ten koste van de rijke bovenlaag.