Monthly Archives: februari 2018

EEN BEETJE ECONOMIE: SPECULEREN

Hoewel markten zelden of nooit goed werken (zie mijn artikel MARKTDENKEN), gehoorzamen sommige producten aan de “wet van vraag en aanbod”: neemt het aanbod toe in verhouding tot de vraag, dan daalt de prijs, en omgekeerd, neemt het aanbod af in verhouding tot de vraag, dan stijgt de prijs.  De vraag neemt namelijk alleen toe bij eden lagere prijs, en neemt af bij een hogere prijs. Neemt in een plaats het aantal pizzeria’s sterk toe, bij gelijkblijvend inwonersaantal en dezelfde besteedbare inkomens, dan worden er alleen meer pizza’s verkocht als de prijs (gemiddeld) lager is. Het aanbod zal slechts zo ver toenemen en de prijs van pizza’s zo ver dalen tot de eigenaar er verlies op gaat lijden. Bij vermindering van het aanbod zal de prijs stijgen (men koopt mindert pizza’s en kiest daarvoor ander, goedkoper voedsel), en als dat de verkoop van pizza’s winstgevender maakt (ondanks kleinere omzet), zal het nieuwe pizzeria’s aantrekken, waardoor het aanbod stijgt en de prijs weer afneemt.

Vraag en aanbod tenderen dus steeds naar (nieuw) evenwicht, ook na verandering van aanbod of vraag! Adam Smith noemde dit in 1767 de werking van de “onzichtbare hand”: alsof er een onzichtbare kracht bestaat die ervoor zorgt dat vraag en aanbod steeds naar een evenwicht neigen, bovendien bij een  lage, voor beide partijen acceptabele prijs.

Pizza’s zijn er om op te eten, je bewaart ze niet om later een lekkere pizza duurder te kunnen doorverkopen. Pizza’s zijn immers bederfelijk! Iets kunnen bewaren voor later of langdurig gebruik bestaat ook, bijvoorbeeld meubels, computers, kleding: de gebruiksgoederen. Maar ze gaan niet eeuwig mee!

Sommige goederen zijn bijzonder geschikt om ongewijzigd door te verkopen: goud, edelstenen, waardepapieren (aandelen, obligaties): je koopt ze om er hetzij enige tijd inkomen uit te krijgen (aandelen gever dividend; obligaties geven rente), hetzij om ze later te kunnen inwisselen (verkopen) als je geld nodig hebt (aandelen, obligaties, goud, juwelen). Dat soort goederen dienen dus hun waarde te behouden, of beter nog: in waarde toe te nemen.   Goederen die in waarde kunnen toenemen zijn bijvoorbeeld: schilderijen van beroemde meesters, klassieke auto’s, antiek. Alleen de kenner zal hierbij winst maken!

Bij goederen die zich lenen voor belegging doet zich een merkwaardig fenomeen voor: als de prijs stijgt neemt de vraag niet af (zoals bij pizza’s) maar toe! Zodra de prijs stijgt en die stijging even aan houdt, kopen tal van (nieuwe) speculanten dat goed om het even later voor een nog verder gestegen prijs te verkopen: kassa! Een slimme speculant koopt bij een stijgende prijs en verkoopt als de prijs niet verder stijgt. Het enige probleem is: goed kunnen inschatten wanneer de prijs niet verder zal stijgen; wie te vroeg verkoopt mist immers een leuk stukje winst. Echter, wie te laat verkoopt, maakt weinig of geen winst of lijdt verlies.

Probleem is, dat je de prijsontwikkeling pas ziet als er handel is en je dus de prijsontwikkeling ziet; je kent het verleden, maar niet de toekomst. Speculeren lijkt op gokken. Bij beleggingsgoederen die gekoppeld zijn aan een bepaalde waarde, zoals bij aandelen het geval is, lenen zich minder voor speculeren: hun waarde is afhankelijk van het succes van het bedrijf dat die aandelen uitgeeft. Een bedrijf kan failliet gaan, waardoor zijn aandelen waardeloos worden, maar tal van bedrijven bestaan al lang en doorstaan zelfs crises. Die aandelen zullen niet sterk in waarde stijgen of dalen: worden ze te duur in verhouding tot de prestaties van dat bedrijf, dan kopen de beleggers goedkopere aandelen van andere bedrijven. Toch kan ook in dat geval een heftige marktbeweging ontstaan; een aanvankelijk geringe prijsstijging lokt speculanten aan, die door hun aankopen de prijs verder opdrijven. Tot de eerste speculanten hun winst gaan verzilveren, de prijs daalt en nog meer speculanten hun aandelen aanbieden. De prijs van aandelen schommelt dus meer of minder hevig rond een bepaald gemiddelde dat parallel loopt met de waarde (prestaties) van het betreffende bedrijf. Je kunt ook in valuta’s beleggen; hun waarde is enigermate gekoppeld aan bepaalde andere valuta’s, dus beperkt volatiel. Wil je rijk worden met valutaspeculatie dan moet je grote hoeveelheden dagelijks verhandelen bij geringe prijsschommelingen; dan begint speculeren op werken te lijken!

Er zijn echter ook beleggingsgoederen die los staan van een achterliggende waarde. Een voorbeeld is de bitcoin (en andere virtuele nieuwe munteenheden). De bitcoin was bedoeld als nieuw digitaal betaalmiddel, buiten de bankwereld om, maar werd een gewild beleggingsproduct: elke prijsstijging leidt tot meer vraag en dus nog verdere prijsstijging, ongeremd door enige koppeling aan andere valuta’s of productiviteit van bedrijven. Juist de snelle en sterke prijsstijging lokt nieuwe beleggers aan, tot de voorzichtigste beleggers hun winst gaan verzilveren, de prijs daalt, nog meer bezitters van bitcoins hun winst willen pakken voor het te laat is, met als gevolg het instorten van de prijs! Wie geld wil winnen met bitcoins of andere vrij zwevende valuta, moet constant (echt dag en nacht!) de prijsontwikkeling volgen en onmiddellijk veel kopen en verkopen. Dat is nog vermoeiender dan werken!

Verhuizing

Door mijn verhuizing van Leusden naar Zutphen heeft de website een mooie lange vakantie gehad!

EEN BEETJE ECONOMIE: MARKTDENKEN

Het geloof in de markt

Het geloof dat de markt beter problemen oplost dan de overheid, is door Ronald Reagan (president VS) en Margaret Thatcher (premier VK) in de jaren ‘80 betoogd en vervolgens door politieke partijen van links tot rechts omarmd. Als gevolg daarvan werden in de jaren ‘90 in de hele kapitalistische wereld overheidstaken overgedragen aan marktpartijen: nutsbedrijven werden geprivatiseerd, stichtingen met maatschappelijke taken moesten marktgericht gaan werken. Ook in Nederland.

Misschien zijn misstanden in sommige instellingen, zoals bij woningcorporaties en zorginstellingen, incidenten die niet worden veroorzaakt door marktmechanismen. Toch is het nuttig dat marktmechanisme nader te bekijken.

Het marktmechanisme: vrije concurrentie

Grondgedachte van de markt is, dat particulieren met elkaar concurreren om de gunst van klanten. Tot ver in de 19e eeuw waren er tal van door de staat gesteunde monopolies, een bedrijf dat het alleenrecht had om in bepaalde goederen te handelen. In Nederland had de Nederlandse Handel-Maatschappij een monopoliepositie in de buitenlandse handel (NHM: “Niemand Handelt Meer”, volgens critici uit die tijd). In Engeland was invoer van graan wettelijk verboden, met als gevolg dat de landadel rijk en brood duur was; ondernemers in de industrie zouden hun arbeiders een lager loon kunnen uitbetalen als brood goedkoper werd; zij pleitten, uiteindelijk succesvol, voor vrije import van graan.

De markt werkt alleen als er vrije, onbelemmerde entree is voor elke aanbieder van een bepaald product. De klant zal de gewenste producten afnemen van de aanbieder met de aantrekkelijkste prijs. De aanbieder die te duur is prijst zichzelf uit de markt. Zolang de verkoopprijs ruim boven de kostprijs ligt, zullen nieuwkomers op deze markt een graantje willen meepikken. Wie te goedkoop aanbiedt, gaat failliet. Uiteindelijk tendeert de marktprijs naar een niveau waarop de kosten van de aanbieders voldoende worden gedekt. Iedereen blij! Tot zover de theorie.

Onmogelijke condities

Hoewel, theorie? Deze theorie gaat uit van het onmogelijke: kan iedereen zo maar aanbieder worden? Er is een flinke investering nodig om iets te kunnen produceren. Dat geldt voor de bakker en nog veel meer voor de autofabrikant! Produceren vereist ook nog eens vakkennis: voor je redelijk snel goede broden kunt bakken heb je behoorlijk wat scholing en ervaring nodig en om auto’s te maken heb je onder andere hooggeschoolde ingenieurs nodig. Dezelfde beperkingen gelden ook voor de dienstenmarkt: stel ik hoor dat tandartsen veel verdienen, meer dan ik aan loon krijg, maar voor ik zelf tandarts ben zijn we heel wat jaren verder, gesteld dat ik de capaciteiten heb om me de benodigde kennis en vaardigheden eigen te maken en tijdens de vele jaren studie genoeg geld heb om mezelf te onderhouden.

Bovendien zijn veel markten afgeschermd door onder andere patenten: je mag het product niet namaken! Daardoor ontstaan monopolies, die de prijs van hun product kunnen opdrijven. We zien dat bijvoorbeeld in de geneesmiddelenindustrie. In sommige bedrijfstakken hebben de aanbieders geen monopoliepositie, maar wel beperkte concurrentie; er ontstaat dan een oligopolie van bedrijven die hetzelfde aanbieden voor ongeveer dezelfde prijs. Zij kijken naar elkaar om binnen een bepaalde prijzenrange te blijven. Dit geldt bijvoorbeeld voor de oliemaatschappijen, de auto-industrie en de vliegtuigindustrie. De voor marktwerking noodzakelijke concurrentie bestaat dus vaak helemaal niet. Daardoor blijven de prijzen van de producten te hoog.

Individuele goederen

In sommige sectoren is concurrentie zelfs volstrekt onmogelijk. Neem het vervoer per trein van A naar B: wil je daar echte concurrentie hebben dan moeten treinmaatschappijen hun eigen rails mogen aanleggen van A naar B, daar hun eigen treinen op kunnen laten rijden, volgens een eigen dienstregeling en voor een door henzelf bepaalde prijs. Iedereen ziet hoe zot dat is! En groot deel van alles wat we gebruiken zijn namelijk zogenaamde ‘collectieve goederen’: zaken die niet verdwijnen als iemand ze gebruikt. Dat geldt voor wegen, parken, vuurtorens, havens, waterleidingen, riolering, steden, spoorwegen, enzovoort. Dat soort zaken moet je als collectief, als volk, als overheid, efficiënt aanleggen, onderhouden en beheren.

Dus: Marktwerking werkt dus niet voor ‘collectieve goederen’, alleen voor ‘individuele goederen’. Individuele goederen zijn goederen die je aan één individu kunt leveren en in rekening kunt brengen, waarna ze niet meer beschikbaar zijn voor iemand anders. Na gebruik van dat goed is het weg, verbruikt, op. Sommige goederen vallen een beetje tussen beide soorten in. Een boek bijvoorbeeld, kun je als individu kopen, maar de letters verdwijnen niet na lezing. Je kunt het boek dus doorgeven of doorverkopen aan een ander.

Volkomen transparantie

Een andere onmogelijke voorwaarde voor het kunnen functioneren van een markt is volledige informatie bij zowel vragers als aanbieders van de op de markt aangeboden producten, kwaliteiten en prijzen. De informatie is er niet. Er zijn reclamepraatjes. Zelfs technische tests worden gemanipuleerd met ‘sjoemelsoftware’ bijvoorbeeld. En of de kwaliteit is wat men belooft blijkt hoogstens na aanschaf en gebruik. Laten we de controle op de kwaliteit van producten over aan de markt zelf, dus aan de aanbieders en vragers, dan zullen er veel consumenten overlijden voor duidelijk wordt dat een product zeer schadelijk is voor de gezondheid!

Gelijk speelveld

Voor zover er verschillende aanbieders zijn voor individuele goederen of diensten, is er alleen een beetje eerlijke concurrentie mogelijk als er spelregels zijn, die bovendien voor iedereen gelijk zijn, net als bij sport. Stel dat bij voetballen elk team zelf mag bepalen met hoeveel spelers het in het veld komt, hoe groot of klein zij het eigen doel mogen maken, of de buitenspelregel accepteert danwel verwerpt, dan is de lol er snel af. Toch gelden op de markt nauwelijks spelregels en al helemaal geen gelijke spelregels. Neem de Europese markt: vaak wordt als voordeel van de Europese Unie genoemd dat het één markt is, goed voor ondernemers en consumenten! Maar de kosten zijn niet voor elke aanbieder van een bepaald product gelijk, en de prijs niet voor elke consument: elk land heft zijn eigen BTW- en winstpercentage, zelf binnen één land krijgt het ene bedrijf bepaalde geheimgehouden belastingvoordelen (de rulings) en verschillen de loonkosten ook enorm.

Conclusie

Markten werken nooit volgens het boekje: er is geen vrije toetreding van aanbieders, markten werken niet voor collectieve goederen, er is geen gelijk speelveld. Markten zijn dus altijd onvolkomen. Pleidooien om de markt productie en distributie te laten bepalen is vooral gebaseerd op bijgeloof of eigenbelang. De markt werkt redelijk voor individuele goederen, mits er spelregels zijn die worden gehandhaafd. Dan is de productie over het algemeen veel hoger en de prijs lager dan bij (staats-)monopolies. Voor collectieve goederen werkt de markt niet, dus dan is een staatsmonopolie onvermijdelijk. Om prijsopdrijving en slechte kwaliteit tegen te gaan dient een monopolie transparant te functioneren en onder controle te staan van toezichthouders, bijvoorbeeld consumentenorganisaties.