Monthly Archives: november 2018

Hoe omgaan met Wilders en consorten?

Het frame: is de excessieve vraag het probleem, of het aanbodtekort?

Bij elk verkiezingsresultaat van een rechts-populistische partij (Nederland, Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland, Zweden), melden de media dat de andere politieke partijen nog geen adequaat antwoord hebben gevonden op de volksverleiding van rechts. De rechtse roep om “minder immigranten” (waarmee vaak wordt bedoeld: “minder moslims”), wordt door links veroordeeld als hatelijk racisme, waartegenover de voordelen van een kleurrijker leefomgeving worden geplaatst. Job Cohen, Femke Halsema, Alexander Pechthold en anderen hebben in het Nederlandse parlement dergelijk verweer in allerlei toonbaarden geleverd. Hoewel fraai ethisch gefundeerd slaat hun boodschap niet aan. De aanhangers van het populisme voelen zich miskend, verwerpen het verwijt dat zij racistisch zouden zijn en volharden in hun eis de grenzen te sluiten voor migranten.

Wat doen de ethici fout? Hun fout is de ethische veroordeling, terwijl de populisten een ander kaart spelen, zij sluiten aan bij de reële angsten onder de autochtone bevolking. De critici van het populisme nemen – wellicht onbewust – het denkkader over van de populisten: de vreemdelingen zijn de oorzaak van jullie problemen, zonder al die vreemdelingen had je geen problemen. Die benadering herinnert aan eerdere episoden in de geschiedenis, die in tal van gevallen hebben geleid tot genocide. Vandaar de boosheid van de ethici. De boosheid is begrijpelijk en terecht, maar leidt tot niets.

Want wat is het probleem? Dat is meermalen door bewoner van de oude volkswijken verwoord tegenover nieuwgierige journalisten: “Zij pikken onze woningen  in; mijn dochter staat al acht jaar op de wachtlijst voor een betaalbare woning, maar zij krijgt niks aangeboden terwijl links en rechts in mijn straat vreemdelingen woningen krijgen toegewezen.” En: ”Ik versta die lui niet, zij groeten niet, ze onderhouden hun tuintje niet, ze gooien hun rotzooi bij de buren op de stoep. Ik herken mijn eigen wijk niet meer.” En: “Zij krijgen gelijk  bij binnenkomst een uitkering, en wij moeten die betalen; alles wordt duurder”,  en als de migrant wel werkt:  “Zij pikken onze banen in, zij werken onder de prijs, onze lonen gaan achteruit, en intussen wordt alles duurder.” Wat hier wordt verwoord is de reële angst, dat de toename van de vraag naar woningen, naar werk of naar uitkeringen, leidt tot geringere beschikbaarheid van die basale, schaarse voorzieningen voor de autochtone bevolking. Het gaat om markten voor levensnoodzakelijke voorzieningen, waarop de vraag toeneemt door de komst van immigranten. Populisten spreken daarbij graag van een ‘tsunami’, en hun aanhang in de oude wijken herkennen dat, want de immigranten zijn vooral gevestigd in die oude wijken. Is het landelijke aandeel van migranten amper 10%, in de volkswijken loopt dat percentage op tot 50%. Daarom is hun zorg, hun klacht, reëel. Daarbovenop komt dan nog eens  het veranderende straat- en wereldbeeld: het bekende, het vertrouwde, verdwijnt, het nieuwe, het vreemde wordt als bedreigend ervaren: de criminaliteit, de drugsbendes, de scooterrijders op het trottoir, het gesis naar jonge meiden, de aanslagen van jihadisten. Oude zekerheden smelten weg, er ontstaat onvrede, onrust, angst en roep om oplossingen.

Toename van de vraag op een markt zou niet tot angst en haat hoeven  leiden, en doet dat ook niet als de bevolking redelijk homogeen is, maar bij toenemende schaarste worden al gauw minderheden als zondebok aangewezen. In een markteconomie, en feitelijk binnen elke samenleving, is ieder medemens een concurrent op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de huwelijksmarkt, de markt voor de gezondheidszorg, de behoefte aan uitkeringen. Is daarmee elke concurrent een “vijand”? Niet als het een familie, vriend of bekende is. Voor een familielid, vriend of bekende, vindt men het doorgaans fijn als die een goede baan vindt, een leuke woning, betaalbare zorg, zo nodig een uitkering krijgt. Maar die blijdschap is er niet als die gelukkige een vreemdeling is. In dat geval is er hoogstens spijt, dat jij of jouw kind die baan of die woning niet kreeg, de uitkering is afgewezen of onverwacht laag is. En voor wie niet op zoek was naar die dingen, staat er onverschillig tegenover wat een  ander krijgt, zolang alles voor hem- of haarzelf bij het oude vertrouwde blijft.

Een toename van de vraag op markten die voor mensen met een laag inkomen hun leefsituatie bijna volledig bepalen (huisvesting, voeding, werk, inkomen, uitkering, pensioen, zorg), leidt tot hogere huren, hogere prijzen, meer werkloosheid of lager loon, lagere uitkeringen,  duurdere zorg, als het aanbod op die markten niet navenant toeneemt. En in een vrije markteconomie neemt het aanbod niet toe, of pas vertraagd. Werkgevers hebben belang bij arbeidsmigranten; dat was het startpunt van de arbeidsmigratie na de Tweede Wereldoorlog. Huisvesting voor die “gastarbeiders” was slecht geregeld; zij hokten met anderen samen op kleine kamers, wat voor de kamerverhuurders een lucratieve bezigheid was. Hun aanwezigheid tastte de voorzieningen in de volkswijken niet aan. Toen de gastarbeiders niet terugkeerden naar hun thuisland na het nodige te hebben gespaard, maar hier bleven en een gezin stichtten, nam de vraag – en dus de concurrentie – op de markten voor werk, huisvesting, scholing enzovoort, sterk toe, en daarmee de onvrede in de volkswijken.

Dit leidde tot experimenten uit de koker van de overheid zoals “sociale vernieuwing” en probleemwijken werden “prachtwijken”, er werd serieus gesproken over “huurliberalisatie” en verscherping van de normen voor arbeidsongeschiktheid en uitkeringen en – nog recent – tot het afgrendelen van sociale werkplaatsen. De markt werd  heilig verklaard; nutsbedrijven werden geprivatiseerd en iedereen werd verantwoordelijk voor zijn of haar eigen geluk. Succes werd een keuze, net als falen. De markt was weliswaar de oorzaak van de problemen, maar werd door zowel liberalen als sociaaldemocraten en christendemocraten aangeprezen als oplossing voor de problemen! Terwijl de natuurlijke bevolkingsgroei tot nagenoeg nul daalde, nam toch de vraag naar werk en woningen toe door de komst van immigranten en  vluchtelingen. Zonder snelle uitbreiding van de woningvoorraad en andere voorzieningen gaf dat signalen die wezen op neerwaartse druk op lonen en uitkeringen en opwaartse druk op de huren, de prijzen van consumptiegoederen, de premies voor gezondheidszorg, enz..

De overheid verklaarde zich zelf incompetent, de markt loste de problemen niet op, en dat versterkte het gevoel, dat de politici van de “volkspartijen” de problemen niet serieus namen. Redding leek te komen van de populistische politici: eerst Pim Fortuyn, later Geert Wilders, recent: Thierry Baudet. De populisten richten hun haat expliciet op de immigranten, die hier komen profiteren van de door noeste arbeid van hard werkende Nederlanders goed gevulde staatsruif. Vooral immigranten met een andere religie, taal en leefgewoonten, en in het bijzonder moslims die onze “joods-christelijke beschaving” zullen aantasten, zijn het doelwit. Eén vreemdeling mag dan curieus zijn, een klein aantal een mogelijke kans op materieel voordeel, veel vreemdelingen vormen een bedreiging.

De critici van de populisten wijzen er vervolgens op, dat de vrijheid van godsdienst ook geldt voor moslims, dat de immigranten ook recht hebben op ontplooiingskansen en zich zullen aanpassen, de taal moeten leren, zullen integreren. Mij lijkt, dat de enige aanpak op succes in het bestrijden van populisme is, dat frame  rechts te laten liggen. De roep om minder immigranten, minder moslims, minder Marokkanen, is slechts één oplossing voor een probleem dat veel kiezers zorgen baart. Bij toenemende schaarste op een markt, veroorzaakt door toename van de vraag, is vermindering van de vraag één oplossing, een andere oplossing is toename van het aanbod. De eerste oplossing richt zich tegen medemensen, de tweede richt zich niet tegen mensen maar op productie. De eerste oplossing creëert haat., de tweede werkgelegenheid.

Die oplossing kost meer geld dan een vrijblijvende morele veroordeling van vreemdelingenhaat, maar lost meer op. Uitbreiding van voorzieningen verhoogt de werkgelegenheid, leidt tot inkomensgroei, en betaalt langs die weg de uitbreiding van voorzieningen (op termijn ) terug. Bovendien zou de politiek daarin een sturende rol moeten spelen, wil zij de waardering van de kiezers terugverdienen. Op basis van goede en ruim beschikbare voorzieningen zal de haat tegen het onbekende afnemen, op zijn minst vreedzaam naast elkaar bestaan.

De mythe van Rutte

De algemene beschouwingen in september 2018 over de begroting 2019 werden overheerst door de discussie over het voornemen van de regering de dividendbelasting af te schaffen. Die belastingmaatregel zou het Rijk een kleine 2 miljard per jaar schelen, maar was volgens premier Rutte absoluut noodzakelijk om grote multinationals, zoals Unilever en Shell, voor Nederland te behouden. Zouden die bedrijven naar het buitenland (lees: Groot-Brittannië) vertrekken, dan zou dat ons land honderdduizenden banen kosten. Dat risico konden we niet lopen, ook al waren er sectoren in de collectieve sector (lees: onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid), die dat geld heel goed kunnen gebruiken. Maar, zou herhaalde Rutte vele malen: we kunnen dat geld niet in de collectieve sector steken als het niet eerst wordt verdiend en daar hebben we het bedrijfsleven voor nodig.

Dit is een boodschap die Rutte, en met hem de hele VVD en het VNO, met graagte uitventen: het is de particuliere sector die het geld verdient, en daarom belasting kan betalen, dat naar de collectieve vloeit, die dat geld uitgeeft.

Dat lijkt een goed verhaal, immers, waar niets wordt verdiend valt ook niets uit te geven! Logisch toch? Nee: het is een mythe! En het verbaast me dat niemand Rutte op dit punt tegensprak! Hebben al die woordvoerders een gebrek aan economische kennis? Dat ze niet de klassieke grondleggers van het economisch denken hebben bestudeer kan ik billijken (geen van de fractieleiders heeft economie gestudeerd), maar hebben ze ook alle moderne economen gemist? Het lijkt jij daarom goed een paar basisfeiten van de economie  uit te leggen.

De economische kringloop

Sinds de Franse arts François Quesnay (1694-1774) zijn Tableau Économique presenteerde,  weten we dat het geld in een samenleving van hand tot hand gaat: van degene die iets koopt naar de verkoper, die het weer uitgeeft aan anderen, bijvoorbeeld aan personeel. Dat gaat eindeloos zo door. Hoe komt iemand aan geld? Door iets te verkopen (goederen, diensten, arbeid) of te verhuren of te verpachten (huizen, grond).

Adam Smith (Schotland 1723-1790) legde uit hoe de markt werkt, waarop deze kopers en aanbieders elkaar ontmoeten. De prijs is het resultaat van vraag en aanbod. Zonder vraag geen aanbod, zonder aanbod geen vraag. De markt werkt het beste als er voldoende concurrentie is; dan kunnen kopers kopen bij degene die de laagste prijs vraagt voor eenzelfde product. Ondernemers kunnen hun productie verhogen en goedkoper maken door arbeidsverdeling en specialisatie. Zolang de verkoop winstgevend is, komen er nieuwe aanbieders op de markt en neemt het aanbod toe. Dit verhoogde aanbod verlaagt de prijs. Zakt de prijs nog verder, dan treden aanbieders uit de markt. De uiteindelijke evenwichtsprijs ligt net boven de kostprijs.

J.B.Say (Frankrijk 1767-1832) liet zien, dat de uitgaven die nodig zijn om iets te produceren, voor anderen inkomsten zijn (leveranciers, arbeiders). Er is dus altijd voldoende geld om de geproduceerde goederen en diensten af te nemen (Wet van Say), als is het niet per definitie zo, dat er altijd voldoende behoefte is aan elk geproduceerd goed of dienst (dat de markt vaak niet werkt is een ander verhaal!)

Hoewel bij deze klassieke economen de aandacht vooral ging naar landsbouw en ambachtelijke productie, maakt het voor de markt niet uit wat de bron is van het geld dat de vragende partij  uitgeeft.

Latere economen hebben de uitgangspunten van de klassieken overgenomen. In de kringloopschema’s van de moderne economen, zie bijvoorbeeld de winnaar van de nobelprijs voor economie Jan Tinbergen (Nederland, 1903-1994) en die andere Nobelprijswinnaar de econoom Paul Samuelson (Verenigde Staten van Amerika, 1915-2009). In hun modellen bestaat het nationaal product uit de som van alle geproduceerde goederen en diensten, of die nu door particuliere bedrijven of door overheidsinstellingen worden aangeboden. Anders gezegd: of de vraag nu van consumenten komt, of van de overheid. Dit simpele schema kan nog worden verfijnd door rekening te houden met export en import, en met investeringen, afschrijvingen en spaargeld.

Het geld dat nodig is om goederen en diensten te produceren of aan te schaffen, kan worden verkregen in ruil voor andere goederen of diensten, of in ruil voor geleverde arbeid, of het winnen van een loterij, of door diefstal. De overheid heft belasting, wat sommigen zien als diefstal. Anderen beschouwen het maken van winst als diefstal. Vanuit economisch gezichtspunt maakt dat allemaal niet uit; de econoom is geen rechter of ethicus.

Voor Rutte maakt het wel uit. Hij denkt dat alles wat de overheid uitgeeft, eerst wordt verdiend door het bedrijfsleven. Dat dus eigenlijk onze welvaart geheel en uitsluitend is te danken aan het de particuliere sector en dat je ondernemers daarom in de watten moet leggen. Dat is een politiek standpunt, om sponsors en kiezers uit bepaalde sectoren te trekken. Economisch gezien is het onzin.

Laten we even meer in detail kijken naar beide sectoren.

Particuliere sector en collectieve sector

De particuliere sector is het geheel van het particuliere bedrijfsleven, van ondernemingen, opgericht om de eigenaren winst te verschaffen door de productie en verkoop van goederen en diensten. In de particuliere sector kopen klanten rechtstreeks van de aanbieder het gewenste goed of de gewenste dienst. De klant betaalt een prijs die minimaal de kosten van de aanbieder dekt. De particuliere sector bestaat omdat er al eeuwenlang mensen zijn die producten op de markt brengen waar burgers behoefte aan hebben, zoals brood, vis, andere levensmiddelen, kleding, enzovoort. Je zou die goederen ook allemaal zelf kunnen produceren, maar zoals Adam Smith al betoogde: specialisatie levert meer op. De markt is geschikt voor individuele goederen en diensten: het brood en de vis verdwijnen in de buik van de consument is dan niet meer beschikbaar voor iemand anders. Overigens heeft dit marktsysteem ook risico’s, zoals overbevissing, plundering en vervuiling van de aarde en dergelijke, wat niet in de prijs verdisconteerd is: “Na ons de zondvloed!”

De collectieve sector is het geheel van instellingen, opgericht om de samenleving goederen of diensten te verschaffen, zonder winstoogmerk. In de collectieve sector betalen de gebruikers van de collectieve goederen of diensten alleen een kleine vergoeding aan de betreffende instelling en betaalt de overheid de kosten van het voortbrengen van die betreffende goederen of diensten uit de belastinggelden die de burgers afdragen aan de overheid. De collectieve sector bestaat ook al eeuwenlang omdat er al heel lang behoefte is aan wegen, dijken, veiligheid, rechtspraak, enzovoort, zaken die niet op de markt kunnen worden verhandeld aan individuele klanten: Een weg is immers niet weg als je er overheen bent gelopen of gereden!

De overheid is het orgaan in een samenleving dat er voor zorgt dat die samenleving kan voortbestaan; zij doet dat door te zorgen voor bescherming tegen binnenlands en buitenlands geweld en tegen natuurgeweld, tegen aanranding van lijf en goed, voor veilige wegen, rechtsbescherming, en dergelijke. De kosten die dat alles met zich meebrengt dragen de burgers via belastingen. Zij doen dat in het besef, dat de voorzieningen van de overheid net zo noodzakelijk zijn als ons dagelijks brood. Er zijn overheden die vooral gericht zijn op de voordelen van de lui die de overheid bemannen, op macht en fortuin via geweld en corruptie, maar er zijn ook overheden die meer in het belang van het volk handelen, en meestal is die aanpak afgedwongen door dat volk.

Het onderscheid tussen individuele en collectieve goederen en diensten is niet altijd glashelder en wie voor die goederen en diensten zorgt, particuliere sector of overheid, is vaak een keuze..

Een paar voorbeelden

Neem de spoorwegen, het vervoer per trein over rails, grootschalig geïntroduceerd in de 19e eeuw in Engeland, is nu over de hele wereld in gebruik. De eerste spoorwegmaatschappijen waren particuliere ondernemingen, opgericht door kapitaalkrachtige burgers die er brood in zagen rails aan te leggen en er treinen op te laten rijden. Wie er gebruik van wilde maken moest daarvoor een treinkaartje betalen. In de loop der tijd verdiende de spoorwegonderneming de gemaakte kosten van railaanleg en treinenaanschaf terug, inclusief de kosten van onderhoud en bedienend personeel. Dat lukte niet altijd, sommige spoorwegondernemingen gingen failliet. In tal van landen werden de particuliere spoorwegmaatschappijen genationaliseerd, waarmee het winstdoel verdween, maar ook voorkomen werd dat maatschappijen misbruik maakten van hun monopoliepositie; het is immers zinloos om tal van concurrerende spoorlijnen naast elkaar aan te leggen! Wie een spoorverbinding heeft, kan daar misbruik van maken. De overheid streeft geen winst na en levert de dienst tegen kostprijs. Spoorwegverbindingen kunnen dus zowel in de particuliere sector als in de collectieve sector vallen. In sommige landen is het railverkeer  weer geprivatiseerd, waardoor ze opnieuw in de particuliere sector vallen. In beide gevallen kunnen de kosten (in principe) geheel worden gedekt uit de verkoop van treinkaartjes. Waar lijnen onrendabel zijn, bijvoorbeeld in dun bewoonde gebieden, kan de overheid besluiten een deel van de kosten te dragen. Een deel van de samenleving zal dat fijn vinden.

Neem onderwijs. Veel scholen zijn opgericht door particulieren, soms als stichting of vereniging zonder winstoogmerk, soms als naar winst strevende onderneming, soms als overheidsvoorziening, om de leden van de samenleving te scholen. In de particuliere sector zullen de leerlingen genoeg schoolgeld moeten betalen om alle kosten te dekken, in de collectieve sector betalen zij een gering schoolgeld en betaalt de overheid de rest uit belastingopbrengsten. Is een school een particuliere onderneming dan is het zaak klanten te vinden die onderwijs belangrijk genoeg vinden om daar (veel) geld voor te betalen. Het probleem is, dat kinderen nooit genoeg eigen geld hebben om als klant op te treden; het zijn dus hun ouders die als klant optreden, en zelfs als die het nut van onderwijs inzien hebben slechts weinigen een inkomen dat hen in staat stelt jarenlang een hoog schoolgeld te betalen. Omdat het echter voor de samenleving als geheel nuttig is dat iedereen zijn of haar talenten ten volle kan ontwikkelen, ten behoeve van zichzelf en van de samenleving, wordt bijna alle onderwijs in de wereld grotendeels gefinancierd door de overheid uit belastinggeld en betalen de ouders, of studenten, een geringe bijdrage. In sommige landen vind je particuliere universiteiten waarvoor je heel veel collegegeld moet neertellen. De lezer mag zelf bedenken of dat nuttig is en voor wie!

Nog één voorbeeld: gezondheidszorg, neem een ziekenhuis. Is een ziekenhuis een particuliere onderneming, dan betaalt de patiënt voor de geleverde medische zorg. Zijn die kosten bij een huisarts of een tandarts nog te overzien, bij medische behandeling in een ziekenhuis bedragen die al gauw een maand- of een jaarsalaris. Veel mensen kunnen dat niet dragen, dus is daar het systeem van verzekering voor uitgevonden: alle mensen dragen premie bij, en uit dat totaal aan inkomsten worden de kosten gedekt. Zouden de kosten geheel uit de premies moeten worden betaald, dan wordt de premie erg hoog voor mensen met een klein inkomen. Daarom wordt in veel landen belasting geheven op inkomen, naar draagkracht, ten behoeve van de gezondheidszorg.

Keuzecriteria

Wat hierboven is uiteengezet over spoorwegen, scholen en ziekenhuizen, geldt voor nog heel veel andere sectoren van productie of dienstverlening. Soms werkt het prima als een goed of een dienst door particuliere bedrijven worden verschaft, soms werkt het beter als een goed of een dienst ook wordt verschaft aan mensen die iets dringend nodig hebben maar er zelf niet de volledige prijs van kunnen betalen. Soms kan een dienst niet door een particulier bedrijf worden verschaft omdat er geen individuele klanten voor te vinden zijn. Een vuurtoren is daarvan een voorbeeld: die bouwen en onderhouden is duur. Een passerend schip zou er baat bij hebben, maar kan nauwelijks een rekening aangeboden worden. Krijgt het toch een rekening aangeboden, dan zal de schipper zeggen: ‘ik betaal niet, want ik heb geen behoefte aan een vuurtoren, ik weet hier de weg en ik heb er niet eens naar gekeken!’ Zonder vuurtoren stranden tal van schepen met in veel gevallen verlies van schip, lading en opvarenden. Mèt een vuurtoren is die schade heel veel kleiner. Een vuurtoren is dus uitermate nuttig voor schippers, bemanning en samenleving, maar is niet of nauwelijks te vermarkten. Samen de lasten dragen en de vruchten plukken is dan beter.

We zien dus, dat de vraag of een goed of dienst onder de particuliere sector valt of onder de collectieve sector, een kwestie is van nutafweging. Soms maakt het weinig uit, soms heel veel. De particuliere sector is niet nuttiger dan de collectieve sector. Van veel bedrijven in de particuliere sector kun je je afvragen of ze erg zinvol zijn, of je ze niet kunt missen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de sector die verslavende goederen produceert en verkoopt: tabak, alcohol, drugs. Er is zeker een markt voor, maar de klant betaalt niet de maatschappelijke kosten van productie en consumptie van die goederen; denk alleen maar eens aan de zorgkosten. Een groot deel van de samenleving kan ze missen. Dat geldt zelden voor goederen en diensten uit de collectieve sectoren: wie kan veiligheid, goede wegen, onderwijs, gezondheidszorg enz. missen? Vervuilende industrieën verdienen aan de verkoop van hun producten maar de kosten van milieuvervuiling en klimaatopwarming betalen we met z’n allen. Hier geldt: de vervuiler verdient, de samenleving betaalt.

Onderlinge afhankelijkheid

De particuliere sector kan niet zonder de collectieve sector: hoe zou een bedrijf kunnen functioneren zonder vuurtorens, havens, wegen, kanalen, luchthavens, rioolsystemen, dijken, afwaterings-systemen, goed onderwijs dat bekwame vaklieden aflevert, politie die jouw lijf en goed beschermt, rechters waar je je recht kunt halen, enzovoorts? Helemaal nergens! Daarom is het ook goed te begrijpen dat de oudste beschavingen al begonnen zijn met het verschaffen van zulke voorzieningen. Of bedrijven ten volle de kosten van al die collectieve voorzieningen betaalt is zeer de vraag. Vooral grote bedrijven ontlopen belastingen en krijgen veelal speciale belastingkorting, de zgn. ‘rulings’. Hiervan zijn er vele duizenden. Wat deze bedrijven minder betalen, betaalt de burger meer.

Kan de collectieve sector bestaan zonder een particuliere sector? Voor een belangrijk deel wel: veel wat nu binnen de particuliere sector valt, heette vroeger ‘nutsbedrijven’ (voor gas, water, elektriciteit, post enz.) Particuliere bedrijven zijn nuttig voor innovaties, hoewel ook voor die tak samenwerking met bijvoorbeeld universiteiten, noodzakelijk is. Vaak vinden universiteiten nieuwe zaken uit, die de particuliere sector vervolgens produceert en op de markt brengt.

Conclusie

Of iets door de particuliere of de collectieve sector wordt verschaft is een kwestie keuze: waar heeft de burgers, de individuele consument of de samenleving als geheel behoefte aan? Wie kan dat het beste organiseren, zowel qua productie als qua distributie? En hoe regelen we dan de betaling, rechtstreeks aan de leverancier of via premies en belastingen? Of in een mengvorm? Inkomens verdiend in de particuliere sector hebben precies dezelfde economische functie als inkomens verdiend in de collectieve sector: een claim op bepaalde goederen en diensten. Iedereen die inkomen heeft, verdiend in de particuliere of in de collectieve sector, betaalt in principe belasting en besteedt de rest van het inkomen aan goederen en diensten uit de particuliere en uit de collectieve sector. Kortom: de mythe dat de collectieve sector afhankelijk is van de particuliere sector miskent dat de particuliere sector afhankelijk is van de collectieve sector. Die mythe kan ertoe leiden dat op de collectieve sector zo veel wordt bezuinigd, dat de particuliere sector niet goed meer kan functioneren (onvoldoende veiligheid, medische zorg, rechtsbescherming, goed opgeleid personeel, enz.) en de samenleving als geheel gevaar loopt (onveiligheid, epidemieën, slechte wegen, gevaarlijke dijken, onbenutte talenten, enz.).

Vertel dit Rutte!