liberale mythes

Liberale economie

Het is opmerkelijk dat liberale voormannen, en dan denk ik aan premier Mark Rutte en VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra, een nogal beperkte kijk hebben op hoe de economie werkt. Regelmatig hoor je ze zeggen: ‘De overheid schept geen banen, dat doet het bedrijfsleven, zoals u weet!’ Met die laatste toevoeging ontnemen ze de luisteraar de neiging tot tegenspraak: iedereen weet dat toch? Hoe kun je dan zo dom zijn daar aan te twijfelen? Nu, die tegenspraak is wel nodig, want hun bewering klopt niet: wanneer breidt een werkgever zijn personeelsbestand uit? Zo maar, vanuit een sociale bui? Nee, de werkgever neemt alleen extra personeel aan als er meer vraag is naar de producten die zijn bedrijf voortbrengt. De vraag genereert werkgelegenheid. En wie oefent die vraag uit? Wie oefenen die vraag uit, is beter geformuleerd, want er zijn verschillende groepen vragers. Het zijn consumenten die behoefte hebben aan huisvesting, kleding, voeding, scholing, vervoer, recreatie enz.; het zijn bedrijven die behoefte hebben aan grondstoffen, vervoersmiddelen, machines, enz., als gevolg van de vergrootte vraag naar eindproducten, en het is de overheid die beseft dat  de samenleving – inclusief het economisch leven – alleen kan functioneren als er autowegen, spoorwegen en waterwegen zijn, energiebedrijven, dijken, defensie, rechtspraak enz. Al deze vragers geven geld uit om aan die behoeften te voldoen. De consumenten hebben geld als ze werk hebben of een uitkering, de bedrijven hebben geld als ze producten verkopen, de overheid heeft geld als ze zich laat betalen voor haar diensten direct door er een prijs voor te vragen en indirect door belasting te heffen. Een voorbeeld: als een particulier een vuurtoren laat bouwen schept hij werk, en als de overheid een vuurtoren laat bouwen niet? Als een particulier een beveiligingsdienst inhuurt schept hij werk en als de overheid een politieapparaat financiert niet? Zo dom kunnen de liberale leiders onmogelijk zijn, hoop ik.

Een ander mantra van deze liberale voormannen is, dat de overheid moet bezuinigen als ze meer uitgeeft dan ze ontvangt. Daarbij wijzen ze altijd op de luisteraar: ‘u kunt toch ook niet eindeloos meer geld uitgeven dan u binnenkrijgt?’ Opnieuw is de luisteraar zo overdonderd dat hij schuldbewust ja-knikt, want zo is het, dat is immers zo klaar als een klontje! Opnieuw geldt: dat is te simplistisch: De overheid kan eindeloos meer geld uitgeven dan ze binnenkrijgt, zo lang het tekort de groei van de belastingmiddelen – door groei van het nationale inkomen – niet overtreft. Dat heeft ruim een halve eeuw geleden de toenmalige minister van economische zaken en van later van financiën, de monetair-econoom Jelle Zijlstra al betoogd; het was zijn beroemde ‘Zijlstra-norm’. Bij economische groei nemen de belastinginkomsten van de overheid toe. Wat zij dit jaar tekort komt, krijgt zij er volgend jaar bij. Dat betekent niet dat de overheid naar een tekort moet streven. In plaats van geld te lenen kun je ook dat tekort in de vorm van verhoogde belasting innen. Voor grote investeringen kan de overheid best geld lenen van instellingen, die tijdelijk geld over hebben en dat graag tegen  rente willen wegzetten, zoals pensioenfondsen. Particulieren lenen ook geld voor grote uitgaven zoals een huis of een auto. Om de werkgelegenheid – en daarmee de economie – te stimuleren, is vergroting van de vraag nodig. De vraag van consumenten kan worden verhoogd door belastingverlaging, de vraag van bedrijven kan worden verhoogd, door loonkostenverlaging, de vraag van de overheid kan worden verhoogd door investeringen. Welke variant wordt gekozen is een politieke keuze. Altijd alleen maar bezuinigen geeft het risico van economische stagnatie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *