EEN BEETJE ECONOMIE: MARKTDENKEN

Het geloof in de markt

Het geloof dat de markt beter problemen oplost dan de overheid, is door Ronald Reagan (president VS) en Margaret Thatcher (premier VK) in de jaren ‘80 betoogd en vervolgens door politieke partijen van links tot rechts omarmd. Als gevolg daarvan werden in de jaren ‘90 in de hele kapitalistische wereld overheidstaken overgedragen aan marktpartijen: nutsbedrijven werden geprivatiseerd, stichtingen met maatschappelijke taken moesten marktgericht gaan werken. Ook in Nederland.

Misschien zijn misstanden in sommige instellingen, zoals bij woningcorporaties en zorginstellingen, incidenten die niet worden veroorzaakt door marktmechanismen. Toch is het nuttig dat marktmechanisme nader te bekijken.

Het marktmechanisme: vrije concurrentie

Grondgedachte van de markt is, dat particulieren met elkaar concurreren om de gunst van klanten. Tot ver in de 19e eeuw waren er tal van door de staat gesteunde monopolies, een bedrijf dat het alleenrecht had om in bepaalde goederen te handelen. In Nederland had de Nederlandse Handel-Maatschappij een monopoliepositie in de buitenlandse handel (NHM: “Niemand Handelt Meer”, volgens critici uit die tijd). In Engeland was invoer van graan wettelijk verboden, met als gevolg dat de landadel rijk en brood duur was; ondernemers in de industrie zouden hun arbeiders een lager loon kunnen uitbetalen als brood goedkoper werd; zij pleitten, uiteindelijk succesvol, voor vrije import van graan.

De markt werkt alleen als er vrije, onbelemmerde entree is voor elke aanbieder van een bepaald product. De klant zal de gewenste producten afnemen van de aanbieder met de aantrekkelijkste prijs. De aanbieder die te duur is prijst zichzelf uit de markt. Zolang de verkoopprijs ruim boven de kostprijs ligt, zullen nieuwkomers op deze markt een graantje willen meepikken. Wie te goedkoop aanbiedt, gaat failliet. Uiteindelijk tendeert de marktprijs naar een niveau waarop de kosten van de aanbieders voldoende worden gedekt. Iedereen blij! Tot zover de theorie.

Onmogelijke condities

Hoewel, theorie? Deze theorie gaat uit van het onmogelijke: kan iedereen zo maar aanbieder worden? Er is een flinke investering nodig om iets te kunnen produceren. Dat geldt voor de bakker en nog veel meer voor de autofabrikant! Produceren vereist ook nog eens vakkennis: voor je redelijk snel goede broden kunt bakken heb je behoorlijk wat scholing en ervaring nodig en om auto’s te maken heb je onder andere hooggeschoolde ingenieurs nodig. Dezelfde beperkingen gelden ook voor de dienstenmarkt: stel ik hoor dat tandartsen veel verdienen, meer dan ik aan loon krijg, maar voor ik zelf tandarts ben zijn we heel wat jaren verder, gesteld dat ik de capaciteiten heb om me de benodigde kennis en vaardigheden eigen te maken en tijdens de vele jaren studie genoeg geld heb om mezelf te onderhouden.

Bovendien zijn veel markten afgeschermd door onder andere patenten: je mag het product niet namaken! Daardoor ontstaan monopolies, die de prijs van hun product kunnen opdrijven. We zien dat bijvoorbeeld in de geneesmiddelenindustrie. In sommige bedrijfstakken hebben de aanbieders geen monopoliepositie, maar wel beperkte concurrentie; er ontstaat dan een oligopolie van bedrijven die hetzelfde aanbieden voor ongeveer dezelfde prijs. Zij kijken naar elkaar om binnen een bepaalde prijzenrange te blijven. Dit geldt bijvoorbeeld voor de oliemaatschappijen, de auto-industrie en de vliegtuigindustrie. De voor marktwerking noodzakelijke concurrentie bestaat dus vaak helemaal niet. Daardoor blijven de prijzen van de producten te hoog.

Individuele goederen

In sommige sectoren is concurrentie zelfs volstrekt onmogelijk. Neem het vervoer per trein van A naar B: wil je daar echte concurrentie hebben dan moeten treinmaatschappijen hun eigen rails mogen aanleggen van A naar B, daar hun eigen treinen op kunnen laten rijden, volgens een eigen dienstregeling en voor een door henzelf bepaalde prijs. Iedereen ziet hoe zot dat is! En groot deel van alles wat we gebruiken zijn namelijk zogenaamde ‘collectieve goederen’: zaken die niet verdwijnen als iemand ze gebruikt. Dat geldt voor wegen, parken, vuurtorens, havens, waterleidingen, riolering, steden, spoorwegen, enzovoort. Dat soort zaken moet je als collectief, als volk, als overheid, efficiënt aanleggen, onderhouden en beheren.

Dus: Marktwerking werkt dus niet voor ‘collectieve goederen’, alleen voor ‘individuele goederen’. Individuele goederen zijn goederen die je aan één individu kunt leveren en in rekening kunt brengen, waarna ze niet meer beschikbaar zijn voor iemand anders. Na gebruik van dat goed is het weg, verbruikt, op. Sommige goederen vallen een beetje tussen beide soorten in. Een boek bijvoorbeeld, kun je als individu kopen, maar de letters verdwijnen niet na lezing. Je kunt het boek dus doorgeven of doorverkopen aan een ander.

Volkomen transparantie

Een andere onmogelijke voorwaarde voor het kunnen functioneren van een markt is volledige informatie bij zowel vragers als aanbieders van de op de markt aangeboden producten, kwaliteiten en prijzen. De informatie is er niet. Er zijn reclamepraatjes. Zelfs technische tests worden gemanipuleerd met ‘sjoemelsoftware’ bijvoorbeeld. En of de kwaliteit is wat men belooft blijkt hoogstens na aanschaf en gebruik. Laten we de controle op de kwaliteit van producten over aan de markt zelf, dus aan de aanbieders en vragers, dan zullen er veel consumenten overlijden voor duidelijk wordt dat een product zeer schadelijk is voor de gezondheid!

Gelijk speelveld

Voor zover er verschillende aanbieders zijn voor individuele goederen of diensten, is er alleen een beetje eerlijke concurrentie mogelijk als er spelregels zijn, die bovendien voor iedereen gelijk zijn, net als bij sport. Stel dat bij voetballen elk team zelf mag bepalen met hoeveel spelers het in het veld komt, hoe groot of klein zij het eigen doel mogen maken, of de buitenspelregel accepteert danwel verwerpt, dan is de lol er snel af. Toch gelden op de markt nauwelijks spelregels en al helemaal geen gelijke spelregels. Neem de Europese markt: vaak wordt als voordeel van de Europese Unie genoemd dat het één markt is, goed voor ondernemers en consumenten! Maar de kosten zijn niet voor elke aanbieder van een bepaald product gelijk, en de prijs niet voor elke consument: elk land heft zijn eigen BTW- en winstpercentage, zelf binnen één land krijgt het ene bedrijf bepaalde geheimgehouden belastingvoordelen (de rulings) en verschillen de loonkosten ook enorm.

Conclusie

Markten werken nooit volgens het boekje: er is geen vrije toetreding van aanbieders, markten werken niet voor collectieve goederen, er is geen gelijk speelveld. Markten zijn dus altijd onvolkomen. Pleidooien om de markt productie en distributie te laten bepalen is vooral gebaseerd op bijgeloof of eigenbelang. De markt werkt redelijk voor individuele goederen, mits er spelregels zijn die worden gehandhaafd. Dan is de productie over het algemeen veel hoger en de prijs lager dan bij (staats-)monopolies. Voor collectieve goederen werkt de markt niet, dus dan is een staatsmonopolie onvermijdelijk. Om prijsopdrijving en slechte kwaliteit tegen te gaan dient een monopolie transparant te functioneren en onder controle te staan van toezichthouders, bijvoorbeeld consumentenorganisaties.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *