Hoe omgaan met Wilders en consorten?

Het frame: is de excessieve vraag het probleem, of het aanbodtekort?

Bij elk verkiezingsresultaat van een rechts-populistische partij (Nederland, Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland, Zweden), melden de media dat de andere politieke partijen nog geen adequaat antwoord hebben gevonden op de volksverleiding van rechts. De rechtse roep om “minder immigranten” (waarmee vaak wordt bedoeld: “minder moslims”), wordt door links veroordeeld als hatelijk racisme, waartegenover de voordelen van een kleurrijker leefomgeving worden geplaatst. Job Cohen, Femke Halsema, Alexander Pechthold en anderen hebben in het Nederlandse parlement dergelijk verweer in allerlei toonbaarden geleverd. Hoewel fraai ethisch gefundeerd slaat hun boodschap niet aan. De aanhangers van het populisme voelen zich miskend, verwerpen het verwijt dat zij racistisch zouden zijn en volharden in hun eis de grenzen te sluiten voor migranten.

Wat doen de ethici fout? Hun fout is de ethische veroordeling, terwijl de populisten een ander kaart spelen, zij sluiten aan bij de reële angsten onder de autochtone bevolking. De critici van het populisme nemen – wellicht onbewust – het denkkader over van de populisten: de vreemdelingen zijn de oorzaak van jullie problemen, zonder al die vreemdelingen had je geen problemen. Die benadering herinnert aan eerdere episoden in de geschiedenis, die in tal van gevallen hebben geleid tot genocide. Vandaar de boosheid van de ethici. De boosheid is begrijpelijk en terecht, maar leidt tot niets.

Want wat is het probleem? Dat is meermalen door bewoner van de oude volkswijken verwoord tegenover nieuwgierige journalisten: “Zij pikken onze woningen  in; mijn dochter staat al acht jaar op de wachtlijst voor een betaalbare woning, maar zij krijgt niks aangeboden terwijl links en rechts in mijn straat vreemdelingen woningen krijgen toegewezen.” En: ”Ik versta die lui niet, zij groeten niet, ze onderhouden hun tuintje niet, ze gooien hun rotzooi bij de buren op de stoep. Ik herken mijn eigen wijk niet meer.” En: “Zij krijgen gelijk  bij binnenkomst een uitkering, en wij moeten die betalen; alles wordt duurder”,  en als de migrant wel werkt:  “Zij pikken onze banen in, zij werken onder de prijs, onze lonen gaan achteruit, en intussen wordt alles duurder.” Wat hier wordt verwoord is de reële angst, dat de toename van de vraag naar woningen, naar werk of naar uitkeringen, leidt tot geringere beschikbaarheid van die basale, schaarse voorzieningen voor de autochtone bevolking. Het gaat om markten voor levensnoodzakelijke voorzieningen, waarop de vraag toeneemt door de komst van immigranten. Populisten spreken daarbij graag van een ‘tsunami’, en hun aanhang in de oude wijken herkennen dat, want de immigranten zijn vooral gevestigd in die oude wijken. Is het landelijke aandeel van migranten amper 10%, in de volkswijken loopt dat percentage op tot 50%. Daarom is hun zorg, hun klacht, reëel. Daarbovenop komt dan nog eens  het veranderende straat- en wereldbeeld: het bekende, het vertrouwde, verdwijnt, het nieuwe, het vreemde wordt als bedreigend ervaren: de criminaliteit, de drugsbendes, de scooterrijders op het trottoir, het gesis naar jonge meiden, de aanslagen van jihadisten. Oude zekerheden smelten weg, er ontstaat onvrede, onrust, angst en roep om oplossingen.

Toename van de vraag op een markt zou niet tot angst en haat hoeven  leiden, en doet dat ook niet als de bevolking redelijk homogeen is, maar bij toenemende schaarste worden al gauw minderheden als zondebok aangewezen. In een markteconomie, en feitelijk binnen elke samenleving, is ieder medemens een concurrent op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de huwelijksmarkt, de markt voor de gezondheidszorg, de behoefte aan uitkeringen. Is daarmee elke concurrent een “vijand”? Niet als het een familie, vriend of bekende is. Voor een familielid, vriend of bekende, vindt men het doorgaans fijn als die een goede baan vindt, een leuke woning, betaalbare zorg, zo nodig een uitkering krijgt. Maar die blijdschap is er niet als die gelukkige een vreemdeling is. In dat geval is er hoogstens spijt, dat jij of jouw kind die baan of die woning niet kreeg, de uitkering is afgewezen of onverwacht laag is. En voor wie niet op zoek was naar die dingen, staat er onverschillig tegenover wat een  ander krijgt, zolang alles voor hem- of haarzelf bij het oude vertrouwde blijft.

Een toename van de vraag op markten die voor mensen met een laag inkomen hun leefsituatie bijna volledig bepalen (huisvesting, voeding, werk, inkomen, uitkering, pensioen, zorg), leidt tot hogere huren, hogere prijzen, meer werkloosheid of lager loon, lagere uitkeringen,  duurdere zorg, als het aanbod op die markten niet navenant toeneemt. En in een vrije markteconomie neemt het aanbod niet toe, of pas vertraagd. Werkgevers hebben belang bij arbeidsmigranten; dat was het startpunt van de arbeidsmigratie na de Tweede Wereldoorlog. Huisvesting voor die “gastarbeiders” was slecht geregeld; zij hokten met anderen samen op kleine kamers, wat voor de kamerverhuurders een lucratieve bezigheid was. Hun aanwezigheid tastte de voorzieningen in de volkswijken niet aan. Toen de gastarbeiders niet terugkeerden naar hun thuisland na het nodige te hebben gespaard, maar hier bleven en een gezin stichtten, nam de vraag – en dus de concurrentie – op de markten voor werk, huisvesting, scholing enzovoort, sterk toe, en daarmee de onvrede in de volkswijken.

Dit leidde tot experimenten uit de koker van de overheid zoals “sociale vernieuwing” en probleemwijken werden “prachtwijken”, er werd serieus gesproken over “huurliberalisatie” en verscherping van de normen voor arbeidsongeschiktheid en uitkeringen en – nog recent – tot het afgrendelen van sociale werkplaatsen. De markt werd  heilig verklaard; nutsbedrijven werden geprivatiseerd en iedereen werd verantwoordelijk voor zijn of haar eigen geluk. Succes werd een keuze, net als falen. De markt was weliswaar de oorzaak van de problemen, maar werd door zowel liberalen als sociaaldemocraten en christendemocraten aangeprezen als oplossing voor de problemen! Terwijl de natuurlijke bevolkingsgroei tot nagenoeg nul daalde, nam toch de vraag naar werk en woningen toe door de komst van immigranten en  vluchtelingen. Zonder snelle uitbreiding van de woningvoorraad en andere voorzieningen gaf dat signalen die wezen op neerwaartse druk op lonen en uitkeringen en opwaartse druk op de huren, de prijzen van consumptiegoederen, de premies voor gezondheidszorg, enz..

De overheid verklaarde zich zelf incompetent, de markt loste de problemen niet op, en dat versterkte het gevoel, dat de politici van de “volkspartijen” de problemen niet serieus namen. Redding leek te komen van de populistische politici: eerst Pim Fortuyn, later Geert Wilders, recent: Thierry Baudet. De populisten richten hun haat expliciet op de immigranten, die hier komen profiteren van de door noeste arbeid van hard werkende Nederlanders goed gevulde staatsruif. Vooral immigranten met een andere religie, taal en leefgewoonten, en in het bijzonder moslims die onze “joods-christelijke beschaving” zullen aantasten, zijn het doelwit. Eén vreemdeling mag dan curieus zijn, een klein aantal een mogelijke kans op materieel voordeel, veel vreemdelingen vormen een bedreiging.

De critici van de populisten wijzen er vervolgens op, dat de vrijheid van godsdienst ook geldt voor moslims, dat de immigranten ook recht hebben op ontplooiingskansen en zich zullen aanpassen, de taal moeten leren, zullen integreren. Mij lijkt, dat de enige aanpak op succes in het bestrijden van populisme is, dat frame  rechts te laten liggen. De roep om minder immigranten, minder moslims, minder Marokkanen, is slechts één oplossing voor een probleem dat veel kiezers zorgen baart. Bij toenemende schaarste op een markt, veroorzaakt door toename van de vraag, is vermindering van de vraag één oplossing, een andere oplossing is toename van het aanbod. De eerste oplossing richt zich tegen medemensen, de tweede richt zich niet tegen mensen maar op productie. De eerste oplossing creëert haat., de tweede werkgelegenheid.

Die oplossing kost meer geld dan een vrijblijvende morele veroordeling van vreemdelingenhaat, maar lost meer op. Uitbreiding van voorzieningen verhoogt de werkgelegenheid, leidt tot inkomensgroei, en betaalt langs die weg de uitbreiding van voorzieningen (op termijn ) terug. Bovendien zou de politiek daarin een sturende rol moeten spelen, wil zij de waardering van de kiezers terugverdienen. Op basis van goede en ruim beschikbare voorzieningen zal de haat tegen het onbekende afnemen, op zijn minst vreedzaam naast elkaar bestaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *